e-WLD trefwoorden 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 140309
TrefwoordBegrip: dialectopgave (plaats)Toelichting
jacquetpak (<fr.) jacquetpak:   sjaket pak (Reuver), sjaketpak (Neeritter) III-1-3
jacquetpakje (<fr.) jacquetjak:   sjekèt-pekske (Mheer) III-1-3
jacquetpit (<fr.) slipjas: rok is niet korrekt hier  zjákétpit (Bilzen) III-1-3
jagedonder knorrepot:   jagedonder (Meijel) III-1-4
jagelen hotsen:   jaogələn (Diepenbeek) III-3-1
jagen aandringen:   jáágə (Loksbergen), bulderen van de storm: het jaagt.  ət jeͅət (Eys), de duivin in een hoekje jagen (baltsverschijnsel):   jagen (Mielen-boven-Aalst), jauge (Jeuk), jā.gə (Eys), jāāgə (Beesel), joagen (Tongeren), joege (Geleen), Opm. v.d. invuller: men zegt "hè j¨¨gt".  jagen (Eisden), de moederkorf afkloppen:   jāgǝ (Heerlen), de zeug naar de beer brengen:   jǭgǝ (Boekhout, ... ), druk heen en weer lopen:   jaoge (Veldwezelt), fietsen:   jōāge (Hoeselt), (op de fiets).  joagən (Diepenbeek), Enkel wat fiets aangaat.  joawəgə (Beverst), Met fiets: joawege;  joawege (Beverst), haast hebben:   jaag toch nie zoë (Oirlo), jaage (Altweert, ... ), jaagə (Gennep, ... ), jage (Echt/Gebroek, ... ), jagen (Born, ... ), jaoge (Gronsveld, ... ), jaogen (Maastricht), jaogə (Maastricht), jààgə (Susteren), jáágə (Epen, ... ), ich höb mich den hiêle daag mote jagen es eine gek  jage (As, ... ), hard waaien:   de windj jieegt (Brunssum), jāgə (Zelem), t jyx (Tongeren), joagen  jōͅgə (Hoeselt), hard, snel vliegen:   jaagə (Beesel), het geluid dat de duif maakt bij de duivin in een hoekje te jagen (baltsverschijnsel):   joege (Geleen), hijgen:   jā.gǝ (Meeuwen, ... ), jāgǝ (Leut, ... ), jǭgǝ (Berverlo, ... ), jɛ̄gǝ (Laar, ... ), ijsberen:   jage (Neeritter), jaoge (Veldwezelt), [Paragraaf: leven/gezondheid/ziekte/vermoeidheid].  jage (Boorsem), [Paragraaf: regelmatige werkwoorden].  jage (Boorsem), jagen:   jaage (Meijel, ... ), jaagə (Kapel-in-t-Zand), jage (Blerick, ... ), jagen (Born, ... ), jaoge (Maastricht, ... ), jaogə (Maastricht, ... ), jaogən (Diepenbeek), jààgə (Susteren), jáágə (Heel, ... ), jāgǝ (Heerlen, ... ), jāgǝn (Dilsen), ję̄gǝ (Beek), ps. invuller twijfelt over dit antwoord (er staat een vraagteken achter!).  jaage (Herten (bij Roermond)), ps. letterlijk overgenomen, zoals invuller het genoteerd heeft (dus tussen rechte haken!).  jāge (As), kop op en neer schommelen (baltsverschijnsel):   jāāgə (Beesel), krijgertje spelen:   jagen (Koersel, ... ), kringetjes maken rond de duivin (baltsverschijnsel):   jauge (Jeuk), jāāgə (Beesel), joagen (Tongeren), jougen (Rijkhoven), Opm. v.d. invuller: zie ook vraag bij 95!  jaage (Doenrade), lopen:   jō.gǝ (Mopertingen  [(snel lopen)]  ), jǭgǝ (Mopertingen), met een priktol spelen:   ja:gə (Borgloon), met opgeheven staart rondlopen:   jāgǝ (Maasniel), met paard en koets rijden, paardrijden:   jā.gǝ (Ellikom), jāgǝ (Hasselt), jǭgǝ (Alken  [(ruiters)]  , ... ), jǭǝgǝ (Piringen), muizen:   jage (Geulle), joagen (Jeuk), WLD (àà = lang)  jààgə (Ubachsberg), onrustig zijn door moerloosheid:   jagen (Hasselt), oppoken:   jāgǝ (Hasselt), rijden:   jagen (Riksingen), jaogen (Vlijtingen), jaugen (Koninksem), joage (Genk), jochə (Alt-Hoeselt), joigen (Rijkhoven), jōͅgə (Beverst), jôgë (Hoeselt), jôôgen (Mopertingen), (op de fiets).  joagən (Diepenbeek), - pag. 103: jaoge, rijden - syn. vaorn;  jaoge (Diepenbeek), ... e toerke jòge bè de villau.  jòge (Kortessem), Enkel wat fiets aangaat.  joawəgə (Beverst), Heel weinig; meest: jaoge.  jōͅgə (Berg), Met fiets: joawege;  joawege (Beverst), NB: dje red of joag, hè joeg, gereje of gejoag.  joage (Beverst), vgl. Hoeselt Wb. (pag. 130): jôgë  jhoge (Hoeselt), jôgen (Hoeselt), roekoeën:   jage (Echt/Gebroek), Opm. v.d. invuller: ook "jaeegt"een doffer achter zijn duivin, nl. wanneer hij haar wil dwingen in de broedschotel plaats te nemen. Begint enkele dagen voordat de duivin het 1e ei van een nieuw broedsel moet leggen. Hij stopt daarmee tussen het leggen van het 1e en 2e ei.  een doffer jaeegt (Doenrade), ruisen (van de wind):   jówe (As), schaatsen: (vroeger!).  jagen (Stein), sissen:   jage (Klimmen), sleeën add.: De kènger jagen op het ies.  jagen (op het ies) (Uikhoven), stuiven van droog zand of stof:   ət jext (Waterloos), troef spelen:   jāāge (Jeuk), van katoen geven:   jàge (Roermond), verschillende knikkerspelen:   jāgə (Zepperen), vlug lopen:   jaage (Tungelroy), waaienx:   et joog (Heek), jage (Bingelrade, ... ), jare (Bleijerheide), jieègt (Hoensbroek), juge (Oirsbeek), t joug (Bingelrade), ut jeeg (Vlodrop), ⁄t joeg (Vijlen), wannen met de wanmolen:   jǭgǝ (Beverst, ... ), woest, wild rijden:   jaage (Sevenum), jage (Blerick, ... ), jāāge (Schimmert), jáágə (Epen), zich rechtop houden en de krop laten opzwellen (baltsverschijnsel):   joege (Geleen) III-3-2, I-10, I-11, I-12, I-4, I-9, II-1, II-6, III-1-2, III-1-4, III-2-1, III-3-1, III-3-2, III-4-4
jagen achter zijn duivin de duivin in een hoekje jagen (baltsverschijnsel): Algemene opmerking bij deze vragenlijst: zie ook "klanktabel v.h. Zolders (uitspraak)", aan de achterkant van de laatste pagina!  áchter zèn douvin jaa.ge (Zolder)
jagend haastig:   jáágendj (Heel) III-1-4
jagende lucht onstuimige lucht:   joͅgɛndə (Kwaadmechelen) III-4-4
jager afgejaagd volk:   ja.xǝr (Dilsen), jager (Maasmechelen, ... ), jāgǝr (Geistingen, ... ), jēgǝr (Maaseik), ję̄gǝr (Asenray / Maalbroek, ... ), jǭgǝr (Tessenderlo), jɛ̄gǝr (Horst), (mv)  ję̄gǝš (Beek), colbertjasje:   ja.əgər (Velm), ja:ger (Rummen (WBD)), jŏger (Grazen (WBD)), drijfvolk:   jager (Neer), ję̄gǝr (Hout-Blerick, ... ), gulp van een broek:   ja.gr (Velm), jachtpak:   jager (Horpmaal), jas: algemeen: wbd  jaager (Grazen (WBD)), ketser:   jaagər (Kapel-in-t-Zand), ps. invuller twijfelt over dit antwoord (er staat een vraagteken achter!).  jaeger (Herten (bij Roermond)), korte overjas:   ja.gər (Velm), lange overjas:   jaeger (Kerensheide), weinig gebruikt  jaeger (Heugem), lichte overjas:   jagər (Halen), meelzeef:   j ̇ø̜̜̄gǝr (Riemst), jager (Hees, ... ), jø̜̄gǝr (Val-Meer, ... ), jēgǝr (Vliermaalroot), ję̄gǝr (Veldwezelt), vanger bij krijgertje spelen:   jaeger (Swalmen), jager (Zonhoven), vrouwziek:   jäger (Bocholtz), zwadkeerder, beugel:   jięgǝr (Gelinden, ... ), jiǝgǝr (Alken, ... ), jø̜̄gǝr (Neerrepen), jāgǝr (Geysteren, ... ), jēgǝr (Hasselt, ... ), jɛ̄gǝr (America, ... ) I-3, II-3, II-6, III-1-3, III-2-2, III-3-1, III-3-2