e-WLD trefwoorden 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 140309
TrefwoordBegrip: dialectopgave (plaats)Toelichting
jagersmontering jachtpak:   jägersmontoering (Doenrade) III-1-3
jagerspak jachtpak:   jaegerspak (Echt/Gebroek, ... ), jāegerspak (Nieuwstadt), In Meijel één man die zo¯n pak droeg  jēͅgərspak (Meijel) III-1-3
jagerspit jagersjas:   jegerspit (Diepenbeek) III-1-3
jagersschoen jachtschoen:   jīēgərssjoon (As) III-1-3
jagersveer pronkveer op een hoed:   jaegesj-vêêr (Klimmen) III-1-3
jak [jasje]:   jak (Heerlen), [kazavek?]: Op de vraag antwoordt de informant het volgende: "Onbekend; wel jak = zelfde betekenis als kazevek"009b: Borstbekleedsel.  jak (Peer), [wambuisjas?]:   jak (Amstenrade), borstrok (voor vrouwen):   jak (Halen, ... ), jeͅk (Donk (bij Herk-de-Stad)), bovenstuk van een jurk:   jak (Horn, ... ), damesblouse:   jak (Maasniel, ... ), doodskleed:   jak (Susteren), jacquetjak:   jak (Achel, ... ), langer  jak (Klimmen), jak:   ene lange (jak) (Oirsbeek), jak (Achel, ... ), jakk (Lontzen), jāk (Bree), jek (Beek, ... ), joak (Roermond), ják (Hechtel), jäk (Tessenderlo), jèk (Schimmert), lange jak (Tegelen), lange jek (Schimmert), (mannelijk).  jak (Eys), [jekske vertaald als jasje in vb.]  jak (Venlo), Het hoge boordje versterk met baleintjes noemde men gimp (naar Fr. gulimpe).  jak (Eijsden), informant: was vroeger zo  jak (Herten (bij Roermond)), meer in heupen  jak (Kermt), Opm. bijv. ich kom dich aan d´t jak. (ps. boven de a staat nog een ?; deze combinatieletter is niet te maken, omgespeld is het inderdaad een a).  jak (Beegden), ps. boven de a staat nog een ?; deze combinatieletter is niet te maken, omgespeld is het inderdaad een a.  jak (Heer), van laken of andere dichte stof, van voren met knopen dichtgemaakt  jak (Sittard), Vero.  jak (Gronsveld), Vgl. baskien*.  jak (Maastricht), jasje van het mantelpak:   jak (Halen), joak (Roermond), jurk:   we zullen daan jak ganz môtten lostorre um te kunnen veranderen (Arcen), korte overjas:   ja.k (Halen), jek (Egchel), [sic]  jek (Maastricht), kort  jekke (Herten (bij Roermond)), nachthemd:   jak (Lommel), rok als bovenkledingstuk:   jak (Heythuysen), spijkerjas:   jek (Ell, ... ) III-1-3, III-2-2
jakje [kazavek?]: Bloese.  jĕkske (Beringen), andere nachtkleding: nachtjas:   jekske (Weert), bovenstuk van een jurk:   jekske (Venlo, ... ), jèkske (Wijk), damesblouse:   jeͅkskə (Maaseik), jacquetjak:   jekske (Grathem, ... ), jäkskə (Beringen), jak:   jeksjke (Hoensbroek), jekske (Bree, ... ), jekskə (Lanklaar, ... ), jēͅkskə (Hamont), jeͅk(skə) (Kaulille), jeͅkskə (Bocholt, ... ), jäkske (Hout-Blerick, ... ), jèkschke (Hoensbroek), jèkske (Valkenburg), zjekske (Rijkhoven), žeͅkskə (Riksingen), Jekske.  žeͅkskə (Tongeren), verkl. voor jak.  jekske (Bree), jasje van het mantelpak:   jaksj-je (Bleijerheide), jeͅkskə (Rotem), nachtjapon:   jeͅkskə (Opglabbeek), spijkerjas:   jekske (Eigenbilzen) III-1-3
jakken de hort op:   jakken (Kinrooi), de hort op?:   jakke (Keent, ... ), haast hebben:   jakke (Ell, ... ), jakə (Meeuwen), masturberen: cf. Vd s.v. "jakken"= hardlopen of -rijden  jakkə (Loksbergen, ... ), ravotten:   jakken (Mechelen-aan-de-Maas), rondslenteren, ronddolen:   jakən (Houthalen), oe.ver straot jakke (Weert) III-1-2, III-1-4, III-2-2, III-3-1, III-3-2
jakken met beden afraffelen:   jakken mit beëne (Waubach) III-3-3
jakkenkleed mantelpak:   jakkekleed (Jabeek, ... ) III-1-3