e-WLD trefwoorden 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 140309
TrefwoordBegrip: dialectopgave (plaats)Toelichting
bijeendabben dorsvloer keren:   bięi̯ndabǝ (Puth) I-4
bijeendoen afkammen:   bięi̯dōn (Klimmen), bięi̯ndōn (Baexem, ... ), biǝndūn (Berverlo, ... ), bēęi̯ndō.n (Panningen, ... ), bēęi̯ndūn (Milsbeek, ... ), bęi̯ęi̯ndun (Wolder / Oud-Vroenhoven / Wiler), bīǝndūn (Beringen, ... ), aftrekken, uitwinnen:   bienduŋ (Achel), bā̯ǝndu.n (Kwaadmechelen), bęi̯ēndun (Gelieren Bret), beginnen te oogsten:   bęi̯endun (Gelieren Bret), bijeenleggen:   béjéndōē (Meijel), de huid oprollen:   bęjęndu (Meijel), bīęjndōn (Heythuysen), groenten bij elkaar zoeken:   bjèjdoon (Opglabbeek), bjèjndoon (Gruitrode), hooi harken:   biē̜dū (Nuth), kaarten bijnemen:   biendoen (Stal), nascharren, naoogsten:   biǝndun (Beringen), op een hoop gooien:   biǝndun (Zelem), op heukelingen zetten, zwelen:   beīǝndō (America), bięi̯ndō.n (Gruitrode), bī.ndū.n (Zonhoven), bīǝ.ndū.n (Hamont), op oppers zetten, opperen:   bī.ndūn (Heusden), op rijen zetten:   biǝndūn (Kwaadmechelen, ... ), bēi̯ęndūn (Well), bīęi̯ndōn (Tungelroy), samenspannen:   dei twie doen beieen (Melveren), die twie (doon) bie ein (Opglabbeek), die təweə dun beieən (Tessenderlo), ze du bieën (Tessenderlo), sprokkelen:   hooêt bieën doen (Eksel), troeven:   bjeindoon (As), veevoer verzamelen:   bięi̯ndōn (Tungelroy), biǝndō.n (Kaulille), bīendōn (Opglabbeek) I-11, I-3, I-4, I-5, II-1, III-1-2, III-2-3, III-3-1, III-3-2
bijeendraaien aftrekken, uitwinnen:   bīęi̯ndrɛ̄ǝ (Schimmert), met de kuipersvijs dichtdraaien:   bijęjndręjǝ (Tegelen) I-4, II-12
bijeendraaischroef kuipersvijs:   bijęjndręjšruf (Heel) II-12
bijeendrijven bijeendrijven:   bii̯ęi̯ndrīvǝ (Thorn) I-12
bijeengebrachte kinder tafelbroeder; niet te gebruiken:   beej ein gebragde kienger (Velden), geen aparte aanduiding voor tafelzuster en/of tafelbroeder; worden wel genoemd: --  bie-eingebrachte kinjer (Haelen), idem tafelzuster  bi-èngebrōchte kiender (Heijen), tafelzuster; niet te gebruiken: geen aparte aanduiding voor tafelzuster en/of tafelbroeder; worden wel genoemd: --  bie-eingebrachte kinjer (Haelen), idem tafelbroeder  bi-èngebrōchte kiender (Heijen) III-2-2
bijeengeschoten melk geronnen melk:   bijeengeschoten melk (Hushoven), bingǝsxōtǝ męlk (Kleine-Brogel), bīngǝsxōtǝn męlk (Sint Huibrechts Lille), bīǝngǝsxōtǝ mɛlǝk (Peer) I-11
bijeengoezen verenigen van zwermen:   bi-jęjnguzǝ (Weert) II-6
bijeengooien bijeenleggen:   bie-ijn-goojə (Montfort), koppelen:   ik heb ze bijeen gegooid (Koersel), verenigen van zwermen:   bięjngōjǝ (Roermond), bęīngūjǝ (Horst) II-6, III-3-1, III-3-2
bijeengritselen achtergebleven hooi harken:   bęi̯ē̜ngretsǝlǝ (Gingelom), nascharren, naoogsten:   bęi̯iǝngretsǝlǝ (Oostham) I-3, I-4