e-WLD trefwoorden 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 140309
TrefwoordBegrip: dialectopgave (plaats)Toelichting
bijmengen desemen:   beeminge (Venlo) III-2-3
bijmes korfmes:   bimɛs (Kerkhoven, ... ) II-6
bijmom bijenkap:   bimom (Grote-Brogel) II-6
bijmus koolmees, mees:   bei̯møͅš (Maaseik), bējmösj (Lanklaar), bi-jmus (Weert, ... ), bi-jmös (Weert), biejmēš (Merkelbeek), biejmos (Echt/Gebroek), biejmusj (Schinveld), biejmös (Echt/Gebroek, ... ), biemus (Heythuysen, ... ), biemusch (Hunsel, ... ), biemuschj (Dieteren), biemös (Herten (bij Roermond), ... ), biemösch (Limbricht), biemösj (Dieteren, ... ), biemøs (Molenbeersel), biemøͅsj (Stevensweert), biemùs (Maasbracht), biemûch (Elen), bijmus (Ospel), bijmusch (Sint-Huibrechts-Lille), bijmŭs (Gennep), bijmös (Maaseik, ... ), biëmus (Hamont), bīē:mös (Roermond), bīmös (Pey), bīmøs (Kinrooi), bêijmösj (Stokkem), #NAME?  biemös (Asenray/Maalbroek), Frings; half lang als lang omgespeld  bei̯møͅš (Lanklaar), IPA; omgesp.  bīmøš (Meeswijk), koomees = ? blauwmees = biemösch / mösch = musch  biemösch (Stevensweert), omdat ze de bijen wegpikken in de winter  bīēmös (Leveroy), ook: pimpelmees  biemösj (Uikhoven), parus major  biəmøš (Meeswijk), voor alle mezensoorten  bijmös (Weert), matkopmees:   biemösj (Stevensweert), pimpelmees:   biejmös (Pey), biemus (Linne), biemusch (Roggel), biemös (Roosteren), biemùš (Einighausen), IPA; omgesp.  bīmøš (Meeswijk), ook: koolmees  biemösj (Uikhoven), zwarte mees:   biemös (Thorn), IPA; omgesp.  bīmøš (Meeswijk) III-4-1
bijmus met een kuifje kuifmees:   biewmösch met e kuufke (Meeswijk) III-4-1
bijmusje koolmees, mees:   beimuske (Sint-Huibrechts-Lille), beimuskə (Sint-Huibrechts-Lille), beimüske (Houthalen, ... ), beͅimø̄skə (Hamont), bi-jmöske (Altweert, ... ), biejmöske (Nunhem, ... ), biemuiske (Amby), biemus(chke) (Kaulille), biemuschke (Kaulille), biemuske (Bree, ... ), biemusken (Overpelt), biemösjke (Susteren), biemöske (Baexem, ... ), biemøͅuske (Bocholt), bijmuschke (Helchteren, ... ), bijmuske (Overpelt, ... ), bijmøͅskə (Wijchmaal, ... ), bimeͅskə (Opglabbeek), bimøskə (Overpelt, ... ), bäjmø͂ͅskən (Achel), bɛjmø͂ͅskən (Achel), #NAME?  beimöske (Heel), herkomst: als ze in de winter geen voedsel meer vinden kloppen ze de bijen uit de korven en vatten ze wanneer ze de korf verlaten; Frings, omgesp.  beͅimøͅskən (Achel), is wel mus en niet mees; vgl. vr. 1  bimeͅskə (Opglabbeek), mezen kloppen met hun snavel s winters tegen bijenkorven, waardoor de bijen naar buiten komen en opgepikt worden.  bi-jmöske (Nederweert), soms ook döbbel —  biemöske (Weert), voor alle mezensoorten  bi-jmöschke (Weert), kuifmees:   bi-jmöske (Nederweert), matkopmees:   bi-jmöske (Nederweert), pimpelmees:   biemuske (Gennep, ... ), biemöske (Haelen, ... ), bijmuske (Eksel), bijmusken (Eksel), bimøskə (Overpelt, ... ), bimøͅskə (Kaulille), bīēmöske (Boukoul, ... ) III-4-1
bijmuts bijenkap:   bøjmits (Hees) II-6
bijna de nek breken struikelen:   bejnao de nek braeke (Venlo) III-1-2
bijna dood houwen bont en blauw slaan:   bekans doed gout (Sint-Truiden) III-1-2
bijna scheuren van het lachen schaterlachen:   bijna scheuren van ⁄t lachen (Neer) III-1-4