e-WLD trefwoorden 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 140309
TrefwoordBegrip: dialectopgave (plaats)Toelichting
koekeblad grote weegbree:   kōkǝblāt (Weert) I-5
koekeesje klaproos:   kukēͅskə (papaver) (Eupen), kukē̜skǝ (Eupen), -  kuke:ske (Eupen) I-5, III-4-3
koekelen manier van vissen: Vgl. WNT: keukelen (I), een thans niet meer bekende manier van snippen [i.e. loopvogel] vangen of jagen.  koēkele (Venray), vissen, ww.:   koekele (Blitterswijck, ... ), met carbid  koēkele (Castenray, ... ), verdovend middel  kòkkele (Echt/Gebroek) III-3-2, III-4-2
koekelevie boomleeuwerik:   koekkelevie (Limbricht), koekkëlëvīē (Tongeren), kokkelevie (Amby, ... ), kokkelevies (Gronsveld), kōkelevie (Gronsveld), koͅkələvi: (Noorbeek), + etym.aant. < fr. cochevis "kuifleeuwerik  kokkelevies (Gronsveld), kuifleeuwerik:   koekelevie (Amby), koekelewie (Venlo, ... ), koekëlëvie (Hoeselt), kokkelevie (Maastricht, ... ), konkelevie (Amby), kōkelevie (Gronsveld), kuklevi.u (Borgloon), kukələviuw (Tongeren), wa. cokelevi  kôkkelevie (Gronsveld) III-4-1
koekeloere kuifleeuwerik:   koekeloere (Wijlre) III-4-1
koekeloeren loeren:   koekkeloere (Hechtel), piekeren:   koekeloeren (Helchteren), roekoeën: Hoort de duiven een[s] koekeloeren.  kukəlùərə (Niel-bij-St.-Truiden) III-1-1, III-1-4, III-3-2
koekeloerens spelen verstoppertje spelen:   koekeloores speele (Bommershoven) III-3-2
koekeloerenspijs hars:   kŭkəlūərəspĭjs (Maaseik) III-4-3
koekeloerer haan:   kø̜kǝlø̜rǝr (Montzen) I-12
koekeloeres domme man: Waat stuis te dao te kieke wiej eine koekeloeres (als een dom iemand)  koekeloeres (Echt/Gebroek) III-1-4