e-WLD trefwoorden 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 140309
TrefwoordBegrip: dialectopgave (plaats)Toelichting
goedheid-zelf, de - goedzak:   de gooëdheed zelf (Mheer) III-1-4
goedheids goedheid: ook materiaal znd 24, 20  gūīhits (Zichen-Zussen-Bolder) III-1-4
goedig gewillig:   gĕŭdig (Schimmert), goedsmoeds, welgemoed:   gootig (Altweert, ... ), iets goedmoeds doen:   geûjig (Altweert, ... ), goeiig (Blitterswijck, ... ) III-1-4
goedigeheid goedheid: ook materiaal znd 24, 20  goetigehet (Peer) III-1-4
goedigheid goedheid:   go:tigheid (Roermond), goedigheid (Meeswijk), goejeghejd (Castenray, ... ), goettighèd (Genk), gojigheid (Roermond), gojighèid (Gronsveld), goojigheid (Venlo), goojigheit (Altweert, ... ), gottigheid (Roermond), gŏĕtəchè (Lommel), gŏĕtəchət (Zonhoven), gö:tigheid (Roermond), Det minske is de gotigheid in persuun  gotigheid (As, ... ), Mit gojigheid kömste allewiel neet wied  gojigheid (Echt/Gebroek), ook materiaal znd 24, 20  goaigheid (Amby), goaigheit (Amby), goedigheid (Neerpelt), goeiighaid (Hechtel), goeiigheid (Boorsem), goetichhet (Kuringen), goetigheid (Achel, ... ), goetigheit (Kaulille), goetighĕd (Peer), goetighèid (Heers), gojəgheid (Lanaken), goo-jig-heid (Rekem), gooi-igheit (Kanne), gooi-ighèt (Kanne), gootichijt (Meeswijk), gootigeit (Eisden), gootigheid (Grote-Brogel, ... ), gootigheit (Kessenich), gootighèd (Kaulille), gotigheid (Neeroeteren), gōjəxhejt (Opgrimbie), gōjəxheͅjt (Opgrimbie), gōteͅxēͅi̯t (Opglabbeek), gōtigheit (Lanaken), gōtixeït (Neeroeteren), gōtĭgējt (Maaseik), gōti̯xeͅit (Mechelen-aan-de-Maas), gōtəxait (Molenbeersel), gōtəxheͅjt (Opgrimbie), gōtəxɛjt (Rekem), gōtəxɛ̄id (Stokkem), gōətəgēͅət (Mechelen-aan-de-Maas), goͅu̯təghət (Lummen), guteͅxei̯t (Sint-Truiden), gutixhət (Herk-de-Stad), gutixhɛt (Neerpelt), gø͂ͅtexət (Beringen), ook materiaal znd 24, 20 met accent aigue op de o  gōticheit (Maaseik), goedigheid:   gootigheit (Altweert, ... ), gunst:   geujigheid (Maastricht) III-1-4
goedigheid-zelf, de - goedzak:   də gootich-heit zelf (Kelpen) III-1-4
goedigheids goedheid:   goetecheds (Kortessem), goettighèds (Genk), doa koem dzje ni vaar bèè, bè dee gouëtichèds: met goedheid geraak je niet ver  gouëtichèds (Hasselt), ook materiaal znd 24, 20  geuiegheuts (Rosmeer), goedegets (Wellen), goedighêts (Bilzen), goei-ə-chets (Sint-Huibrechts-Hern), goeiegeds (Werm), goeiegets (Rijkhoven), goeighets (Hoeselt, ... ), goeigheͅds (s-Herenelderen), goeiigheds (Zichen-Zussen-Bolder), goeiëgheds (Mopertingen), goeiëghēts (Bilzen), goejeghets (Zichen-Zussen-Bolder), goetechets (Beverst), goetechèts (Wellen), goetichets (Gelieren/Bret), goetigchets (Mal), goetighaits (Nieuwerkerken), goetigheds (Houthalen), gojighêts (Veldwezelt), goojich-hĭts (Vroenhoven), gootighèts (Zutendaal), gudəxets (Borgloon), gui̯ixets (Martenslinde), gujəxets (Genoelselderen), gutighets (Martenslinde), xutixeͅts (Gelieren/Bret), yoətəxeͅts (Hasselt), ook materiaal znd 24, 20 Fr. mais  goedechaits (Vliermaalroot) III-1-4
goedje achteruit:   geudje (Guttecoven), binnenplaats:   guitje (Sittard), boerderij, algemeen:   gø̄tjǝ (Heek), gø̜i̯tjǝ (Sittard), erf:   gøtjə (Vijlen), gø̄tjə (Beek), gø͂ͅtjə (Schinveld), gepachte hoeve, pachtgoed:   gø̄tjǝ (Schinnen), grond waarop de boerderij staat:   gø̜̄tjǝ (Schinveld), kleine boerderij:   gø̄.tjǝ (Putbroek), gø̄tjǝ (Eygelshoven, ... ), gø̄tšǝ (Borgharen, ... ), gūtjǝ (Zonhoven) I-6, I-7, III-2-1
goedkalf goedzak:   goedkālf (Meerlo) III-1-4
goedkeuren (iets) bevinden:   goodgekäörd (Maastricht), gôodkêûre (Swalmen) III-1-4