e-WLD trefwoorden 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 140309
TrefwoordBegrip: dialectopgave (plaats)Toelichting
goed bedeeld zijn dikke neus:   diejen is goed bedèld (Eksel) III-1-1
goed beenwerk (met) stevige benen:   good beiwerk (Guttecoven) III-1-1
goed beest goede vleeskoe:   gui̯ bist (Spalbeek), goedzak: ook materiaal znd 24, 22  guj biəst (Tessenderlo), halfbloed:   gǫi̯ bīst (Kermt) I-11, III-1-4
goed berggesteendes goed dak:   jot bɛrxjǝšteŋs (Kerkrade  [(Domaniale)]   [Beringen]) II-5
goed beslagen zijn rijk zijn:   good besjlaage zieën (Klimmen), ps. omgespeld volgens Frings.  deͅ es xōd bəslāgə (Lanklaar), gōd bəsləgə zēn (Waterloos), hēͅ es gōt bəslāgə (Opglabbeek), ⁄gud⁄bə⁄slāgə zēͅn (Boekt/Heikant), ps. omgespeld volgens IPA.  gōdbəslāgə (Rotem) III-3-1
goed bespraakt zijn welbespraakt zijn:   good besjpraokt (Susteren), good besjpreuk (Geulle), goot bəspraok (Maastricht), gōōtbəsjpraokt (Nieuwenhagen) III-3-1
goed betaald krijgen wbd: in trek:   veer kriegen het good betaold (Wijk) III-3-1
goed betaald worden wbd: in trek:   de eier wéére deze mòòndj good betaald (Roermond) III-3-1
goed bezet udder zeug met meer dan twaalf tepels:   (zo'n zeug heeft een) gōt bǝzat ødǝr (Voerendaal) I-12
goed bezet zijn rijk zijn:   hèè is good bezatj (Haelen) III-3-1