e-WLD trefwoorden 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 140309
TrefwoordBegrip: dialectopgave (plaats)Toelichting
lozen ondersteuningen losmaken:   lyǝzǝ (Kerkrade  [(Domaniale)]  , ... [Domaniale, Laura, Willem-Sophia, Oranje-Nassau II, Oranje-Nassau III, Emma, Maurits] [Eisden]), splijtvlakken in de koollaag:   lyǝšǝ (Heerlerheide  [(Oranje-Nassau I-IV)]   [Eisden]), treiten:   luǝzǝn (Overpelt) I-10, II-5
lozer schelm: overtreffende trap bij loes, loos  lŏĕzer (Schimmert) III-1-4
lozerik slimmerik:   loeazerik (Echt/Gebroek), Eine lwaozerik, dae: dae kultj dich wooste biej stuis; dae wètj wo den hòndj naat is  lwaozerik (Echt/Gebroek) III-1-4
lozig guitig:   loezig (Tungelroy), slim:   loezig (Altweert, ... ), luzig (Heythuysen), cf. Schuermans p. 351, s.v. "looszak"= list, haarzak (p. 171 bedrieger, foffelaar, valschspeler) of aaszak (p. 6, ook aarzak; bedrieger, valschaard) , bedrog; een persoon die listig te werk gaat  loezig (Altweerterheide) III-1-4
lsch ? knotten van wilgen:   lösch (Amby) III-4-3
lschen (du.) blussen:   lēūjsche (Welkenraedt), løjšə (Welkenraedt) III-3-1
lss aarde, grond:   lös (Venlo), vlijns, geelbruine aarde:   löss (Heerlerbaan/Kaumer), (= lichtgele klei of roodgeel).  löss (Nieuwenhagen), m.  løͅs (Eys), zavel, lichte klei:   lös (Venlo), lösj (Sittard), (mengsel van zand en klei).  lösj (Susteren) III-4-4
lubbe futloze jongen:   d’as lubbe (Wellen), lèbbe (Stevoort), onelegant paard:   lø̜bṇ (Kwaadmechelen  [(onhandig paard)]  ), lębǝ (Genk) I-9, III-1-4
lubben castreren:   lupǝ (Blerick), løbǝ (Bocholtz, ... ) I-11, I-12, I-9
lubberen te groot zijn: WNT: lubberen, een onomatopoëtisch woord, behoorende bij lobberen. Van kleederen. Niet strak of gespannen zitten, te wijd zijn, [...], flodderen. Vgl. lobberen, 3) Van kleederen. Plooien, te wijd zijn, niet passen, flodderen.  lubbərə (Kapel-in-t-Zand) III-1-3