e-WLD trefwoorden 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 140309
TrefwoordBegrip: dialectopgave (plaats)Toelichting
kootseltje bikkel(s):   kuĕŭtselkes (Heythuysen) III-3-2
kootsen bikkelen:   keutsje (Weert), keuutse (Leuken), kuutse (Weert), küetse (Tungelroy), /  kuuëtse (Weert), Ook: biggele/bikkele; vero. NO kootsele, bikkele.  kuuëtse (Weert), Oud werpspel, waarbij varkenskootjes werden gebruikt.  kuëtse (Tungelroy), Sub bikkele. Spelletje met schapen- of varkenskootjes "kuuëtjes", die kostten vroeger niks door de vele huisslachtingen. Het werd door 2 of 3 meisjes gespeeld op "nen aemse stein"voor de ingang van n woning. Aan de kootjes is een holle en bolle kant, n gladde en een gespikkelde kant. Wie moest beginnen werd d.m.v. een aftelversje bepaald. t Meisje dat moest beginnen nam een glazen knikker in de hand en legde de kootjes op n hoopje op dn "dêrpel". Ze liet vervolgens de knikker op de steen stuiteren en greep de kootjes, schudde die in een hand en wierp ze op de steen. Met dezelfde hand greep ze de knikker weer bij het terugstuiten. Daarna werden er onder het opzeggen van voorgeschreven regels voorgeschreven bewegingen gemaakt met de kootjes zoals op de platte kant leggen, twee kootjes op elkaar leggen, n slag draaien, tikken enz. Na alle voorgeschreven bewegingen is het volgende meisje aan de beurt. Die de meeste handelingen uitvoert binnen de tijd, is winnaar.  kuuëtse (Weert) III-3-2
kootspelen bikkelen:   keetšspieule (Martenslinde), kuutspele (Sint-Truiden) III-3-2
kop aanspanningspunt, kam van de eg:   kǫp (Margraten), achterhoofd:   kop (Maastricht, ... ), armkogel:   kop (Opglabbeek), askop:   kǫp (Horn), beeldzijde van een geldstuk:   dë kòp (Tongeren), kop (Achel, ... ), koͅp (Amstenrade, ... ), kóp (Zolder), Antwoord onderlijnd bij de suggesties.  kop (Jeuk), kop of munt  kop (As), Sub kruis: Kruus (gwl. kop) of mäönt.  kop (Maastricht), Sub munt: in de zegsw. kop of mäönt (goje): kruis of munt.  kop (Maastricht), bekkenholte: RK: ???  kop (Koersel), bergtop:   boaven op de kop (Stein), der kop (Gulpen), der kòp (Kunrade), kop (Doenrade, ... ), kōp (Noorbeek, ... ), kòp (Doenrade, ... ), kóp (Schinnen), kôp (Weert), hoogste punt van een oplopende weg, die daarna vlak wordt: dr knip.  d⁄r kop (Klimmen), m.  koͅp (Eys, ... ), bloedzuiger:   kop (Genk, ... ), meerv.  kŭp (Doenrade), bol:   kop (Dilsen, ... ), boorkop:   kǫp (Weert), bovenbeschuit:   kop (Neerpelt), boveneinde van de stam:   de kop (Schimmert), der kop (Gulpen), kop (Amby, ... ), koͅ.p m. (Eys), kòp (As), ideosyncr.  kop (Eijsden, ... ), Veldeke  kop (Waubach), Veldeke / eventueel aangevuld met systeem Jones  d’r kop (Gulpen), WBD/WLD  kop (Opglabbeek, ... ), kòp (As), WLD  kop (Brunssum, ... ), kòp (Doenrade, ... ), bovenste gedeelte:   kǫp ([Beringen, Zolder, Houthalen, Zwartberg, Winterslag, Waterschei, Eisden]), bovenste schijf:   kop (Ottersum), kǫp (Tegelen), broodkorst:   kop (Herten, ... ), kø̜p (Arcen, ... ), %%meervoud%%  køp (Meijel), dak:   kop (Kelmis), kǫp (Kerkrade  [(Domaniale)]  , ... [Domaniale]  [Domaniale]), dak van de mijt:   kop (Alken, ... ), kǫp (Baexem, ... ), deksel van de metalen gierton:   kǫp (Godschei), droge plekken in moeras:   kop (Montfort, ... ), (mv)  kø̜p (Ulestraten), dwarsbalk van de hooihark:   kǫp (Achel, ... ), galg:   kǫp (Stramproy), geknotte wilg:   ein kōp (Munstergeleen), kŏb (Susteren), grote wolk:   əne kòp (Sevenum), ⁄nne kop (Sevenum), haamkap:   kǫp (Berg, ... ), haarspit:   kǫp (Montenaken, ... ), halve steen:   kop (Bree, ... ), kǫp (Gronsveld, ... ), hamerbaan:   kǫp (Reuver), hamerkop:   kǫp (Bilzen, ... ), handvat aan de ploegstaart:   kǫp (Margraten  [(bovenstuk van de ploegstaart)]  , ... ), handvat van de zicht:   kǫp (Waterloos), haverkorfje:   kop (Buchten, ... ), kǫp (Lanklaar, ... ), heuvel, kleine hoogte:   d⁄r zit ⁄nne kop in (Maasbree), eine kòp (Grevenbicht/Papenhoven), kop (Ell), kòp (Doenrade), hoofd:   a gene kop (Heerlen), d ōjərs fan zənə kop (Rekem), de "-ren van zenen kop (Linde), de aadere van ziene kop (Sittard), de aoieren van ziene kop (Boorsem), de aojere van zəne kop (Rotem), de aojeren van z`ne kop (Vucht), de aojers van z`ne kop (Niel-bij-As), de aoren op zien kop (Molenbeersel), de aoren van z`ne kop (Geistingen), de aoren van zijne kop (Lommel), de aoïers van e kop (Opglabbeek), de aren van ziene kop (Bocholt), de āren van zene kop (Hechtel), de euren van zene kop (Linde), de jeuren van z`ne kop (Mal), de oajers van z`ne kop (Eisden), de oar van zinə kop (Sint-Huibrechts-Lille), de oare van ze͂nne kop (Kuringen), de oare van zine kop (Geistingen), de oehren van zenne kop (Beverst), de oire van z`ne kop (Hoeselt), de ooiərə van zenə kòp (Hoeselt), de oâren van zienen kop (Hamont), de oëren van den kop (Brustem), de oəre va zeuue kop (Beverlo), de ōāre van der kopp (Welkenraedt), de ōāren van zijne kop (Wijchmaal), de ōjerə van zine kop (Maaseik), de oͅjers van zəne kop (Lanaken), de ôre van ziene kop (Gruitrode), de ø͂ͅrə van zine kop (Bocholt), də o.rə van ze.uə kop (Bree), də o:rən van də kop (Neerpelt), də ojərs van zinə kop (Maaseik), də ōrə van zenə kop (Herk-de-Stad), Də ōərə van ze kŏp (Lanaken), də ōͅjərs van zənə koͅp (Kotem), də ōͅərə van zənə kop (Lanaken), də oͅrə oͅp zi:nə koͅp (Neerglabbeek), houd dĕnen dieke kop (Valkenburg), houdt de kop toe (Valkenburg), kej (Lommel), ko.p (Montzen), koop (Gemmenich), kop (Aalst-bij-St.-Truiden, ... ), kop 60 mèt pien (Weert), kopp (Vaals, ... ), kōp (Reijmerstok, ... ), kŏŏp (Gulpen), kŏp (Buchten, ... ), koͅp (Achel, ... ), kup (Kwaadmechelen, ... ), kŭp (Eys), kòp (Amby, ... ), kóp (Mechelen, ... ), kôp (Mechelen), köp (Amby, ... ), köpp (Rimburg), køp (Eys), kùp (Mheer), pezen vôêr zënne kop (Kozen), [Paragraaf: lichaam]  kop (Boorsem), Alg. term.  kóp (Mechelen), anders  kop (Brunssum), B.v. ene kop wie e verke.  kop (Roosteren), B.v. hald diene kop.  kop (Venlo), B.v. haot diene kop toe.  kop (Baexem), B.v. heer heet et hoeg in ziene kop.  kop (Maastricht), B.v. hij heeft een dikke kop.  koͅp (Neerpelt), B.v. hij heeft hersens in zijn kop.  koͅp (Gingelom), B.v. hij heet t in zijn kop  kop (Tungelroy), B.v. hij is van kop (= eigenzinnig).  kop (Eksel), B.v. imant teige de kop motse (slaan).  koͅp (Halen), B.v. kop wie een vaatsmand.  kop (Venlo), B.v. op ziene kop gevalle (= niet goed wijs).  kop (Tegelen), B.v. wat hubs doe enen dikke kop.  kop (Buchten), dae haet eine kop op  kop (Tegelen), dae mit ziene klotskop  kop (Blerick), die heeft nogal ne kop  kop (Bokrijk), Geen spotnaam.  kop (Berg-aan-de-Maas), Gewone naam.  kop (Kinrooi), Gewone woord.  kop (Terwinselen), Gewoon.  kop (Opglabbeek), hea vool mit der kop op inne stee  kop (Rimburg), ich how dich op dr kop  kop (Waubach), ich schloan dich op der...  kop (Heerlen), In enkele samenstellingen bestaat er wel nog een overblijfsel van een oude hoofd-vorm.  ko.p (Moresnet), Is geen spotnaam.  kop (Weert), Maar: huidvleis  kop (Asenray/Maalbroek), mijn kop is te groot  kop (Kwaadmechelen), Slechts zelden heu-et  kop (Blitterswijck), star gebruikt men volgens de informant alleen nog in uitdrukkingen, zoals b.v. jn\\ v$r z\\n star how\\.  kop (Rekem), Zelden nog eens hoejt.  kop (Rekem), zit dich die muts op diene kop  kop (Blerick), hoofd - van het touwslagerswiel:   kop (Loksbergen), hoofdbord:   kǫp (Achel, ... ), hoofdkaas:   koͅp (Godschei, ... ), kóp (Zonhoven), zie hoofdvlees  kóp (Zonhoven), hoofdsponde:   kǫp (Maastricht), hoogliggende akker:   kop (Ell, ... ), hoogte in een akker:   kop (Baexem, ... ), kǭp (Melick), kan, maat van één liter:   kop (Montfort), (vast).  kóp (Venlo), keerstrook, wendakker:   kǫp (Beegden, ... ), klein paard:   kǫp (Lauw), kool, algemeen: een krop kool:   kop (Helden/Everlo, ... ), koͅp (Buvingen, ... ), kop:   ko.p (Jesseren), kop (Altweert, ... ), kø̜p (Montfort), kǫ.p (Achel, ... ), kǫp (Aalst, ... ), kǭp (Noorbeek), kop van de dakpan:   kǫp (Echt, ... ), kop van de draaibank:   kǫp (Leopoldsburg), kop van de kruiwagen:   kǫp (Maastricht), kop van de pijler:   kǫp (Eisden  [(Eisden)]  , ... [Maurits]  [Eisden]  [Maurits]), kop van de schoof:   kop (Beek, ... ), kǫ.p (Wimmertingen), kǫp (Aalst, ... ), kop van een duig:   kǫp (Hasselt, ... ), %%de volgende opgave is meervoud%%  kø̜p (Panningen), kop van een stijl:   kop (Kelmis), kop van het staakijzer:   kǫp (Alken, ... ), kop, maat van 5 liter:   kop (Schimmert, ... ), (droge stof).  kop (Tienray), (fruit).  kòp (Horst), (koren).  kop (Susteren), (vaste stof, vb. aardappele).  kop (Blerick), 1 vingerhood = ± 0,01 lieter 1 mäötje = ± 0,10 lieter 1 sjöpke = ± 0,25 lieter 1 pint = ± 0,60 lieter 1 beksjke = ± 1/4 pint 1 hèjfke = ± 1/2 kan 1 kan = ± 1,40 lieter 1 anker = ± 30 kan 1 aam = ± 4 anker 1 iëker = ± 8 kan sjtök = oude wijnmaat van ? vaan = oude biermaat van ? tien = oude kolenmaat van 1/2 hectoliter of 2 kuipen okshoof = oude wijnmaat van ? Alle vorengenoemde maten en gewichten zijn in onbruik. De woorden zijn alleen nog bij ouderen bekend.  kop (Klimmen), vloeistof + vaste stof.  kòp (Sevenum), kopje:   kop (Martenslinde), koͅp (Afferden, ... ), küüp (Opglabbeek), zonder oor  kop (Lanaken), koppig: ook materiaal znd 28, 31  koͅp (Beringen, ... ), kòp (Bree), korte zijkant van de mand:   d’r kop (Klimmen), kop (Tongeren), kòp v.d. kòrf (Sint-Pieter), kruin:   kop (Aalst-bij-St.-Truiden, ... ), kruishoutblok:   kǫp (Bilzen), leunknop van de booromslag:   kǫp (Bilzen), ligger:   kop (Zutendaal), maiskolf:   kop (Vliermaal), mees, keel:   kǫp ([Beringen, Zolder, Houthalen, Zwartberg, Winterslag, Waterschei, Eisden]), mond (spotnamen):   kop (Merselo, ... ), kŏp (Venray), kòp (Meerssen), mouwkop:   kop (Horst, ... ), kǫp (Bilzen, ... ), nok van de kleine spil:   kop (Meijel), kǫp (Herten, ... ), ondereinde van de stam: ideosyncr.  kop (Hoensbroek), pand, bed:   kǫp (Brunssum), persoon met een lastig karakter: Vraag 383 is dubbel (dus 2 x 97 moet nog worden opgesplitst in twee lemmata: "persoon met een lastig karakter"; "een niet gemakkelijk, lastig karakter hebbend  ⁄nne kop (Mheer), pin van de sluisdeur:   kǫp (Herk-de-Stad, ... ), ploeghiel:   kǫp (Siebengewald), ploeghoofd, ploegzool:   kǫp (As, ... ), punt:   kǫp (Lummen, ... ), punt van het blad van de zeis:   kǫp (Boorsem), restant zoogdieren:   ko.p (Kelmis), kop (Neeritter), koͅp (Beek), rijksdaalder:   kop (Kerkrade), rol gevouwen hooi op de kar:   kǫp (Haelen), (mv)  kø̜p (Swalmen), schep:   kǫp (Leunen), smidskap:   kǫp (Geulle), spits, kop van de mijt:   kop (Buvingen, ... ), kǫp (Aalst, ... ), spitse eind van een ei:   kop (Brunssum, ... ), koͅp (Maastricht, ... ), køpə (Amstenrade), køͅpə (Guttecoven), Sub kippe: Alla, noew èn gekiptj: kop of vot?  kop (Echt/Gebroek), Sub pansj: Kop, vot en pansj.  kop (Heerlen), stam van de knotwilg:   kop (Amby, ... ), kŭp (Nieuwstadt), kôp (Amby), ideosyncr.  kóp (Susteren), WLD  ’n kŏp (Geverik/Kelmond), stelknoppen:   kop (Blerick), stronk, boomstronk:   kop (Vijlen), takken (coll.):   kop (Alken, ... ), koͅ.p m. (Ingber), koͅp (Heers), kóp (Epen), tap:   kǫp (Groot-Gelmen, ... ), tap van het staakijzer:   kǫp (Maxet, ... ), tegenwind:   kop (Houthalen), toevoergalerij:   kop (Rekem  [(Zwartberg / Eisden)]   [Eisden]), top van de boom:   kǫp (As), trek, eetlust:   kòp (As, ... ), tuit:   koͅp (Kaulille), vergaring:   kǫp (Klimmen, ... ), (enkelvoud)  kǫp (Klimmen, ... ), (mv)  køǝp (Bocholt), kø̜p (Eygelshoven, ... ), kǫpǝ (Kinrooi, ... ), verstand:   heet eine kop op (Ospel), vlegelknuppel, slaghout:   kop (Dilsen, ... ), kǫ.p (Achel  [(met een palingvel verbonden aan de stok)]  , ... ), kǫp (Amstenrade, ... ), voorbodem:   kop (Arcen), kǫp (Alken), voorhoofd:   a gene kop (Heerlen), d ōjərs fan zənə kop (Rekem), de "-ren van zenen kop (Linde), de aadere van ziene kop (Sittard), de aoieren van ziene kop (Boorsem), de aojere van zəne kop (Rotem), de aojeren van z`ne kop (Vucht), de aojers van z`ne kop (Niel-bij-As), de aoren op zien kop (Molenbeersel), de aoren van z`ne kop (Geistingen), de aoren van zijne kop (Lommel), de aoïers van e kop (Opglabbeek), de aren van ziene kop (Bocholt), de āren van zene kop (Hechtel), de euren van zene kop (Linde), de jeuren van z`ne kop (Mal), de oajers van z`ne kop (Eisden), de oar van zinə kop (Sint-Huibrechts-Lille), de oare van ze͂nne kop (Kuringen), de oare van zine kop (Geistingen), de oehren van zenne kop (Beverst), de oire van z`ne kop (Hoeselt), de ooiərə van zenə kòp (Hoeselt), de oâren van zienen kop (Hamont), de oëren van den kop (Brustem), de oəre va zeuue kop (Beverlo), de ōāre van der kopp (Welkenraedt), de ōāren van zijne kop (Wijchmaal), de ōjerə van zine kop (Maaseik), de oͅjers van zəne kop (Lanaken), de ôre van ziene kop (Gruitrode), de ø͂ͅrə van zine kop (Bocholt), də o.rə van ze.uə kop (Bree), də o:rən van də kop (Neerpelt), də ojərs van zinə kop (Maaseik), də ōrə van zenə kop (Herk-de-Stad), Də ōərə van ze kŏp (Lanaken), də ōͅjərs van zənə koͅp (Kotem), də ōͅərə van zənə kop (Lanaken), də oͅrə oͅp zi:nə koͅp (Neerglabbeek), kop (Berg-en-Terblijt, ... ), kòp (Neeritter), pezen vôêr zënne kop (Kozen), star gebruikt men volgens de informant alleen nog in uitdrukkingen, zoals b.v. jn\\ v$r z\\n star how\\.  kop (Rekem), voorhuid:   kop (Waubach), kop ? (Urmond, ... ), voorkant van de veenkruiwagen:   kop (Griendtsveen, ... ), voorploeg:   ko ̝p (Kwaadmechelen), kǫp (Achel, ... ), voorwand:   ko.p (Rekem), kop (Ketsingen, ... ), kǫp (Bilzen, ... ), wistop:   kǫp (Loksbergen), wortelhals: WBD/WLD  kop (Kapel-in-t-Zand), zin (lust):   kòp (As), zult, preskop: geperste hoofdkaas  koͅp (Heusden, ... ), zwenghout:   kǫ.p (Berlingen) II-3, II-1, I-1, I-10, I-11, I-12, I-13, I-2, I-3, I-4, I-7, I-8, I-9, II-1, II-10, II-11, II-12, II-2, II-3, II-4, II-5, II-7, II-8, III-1-1, III-1-4, III-2-1, III-2-3, III-3-1, III-3-2, III-4-2, III-4-3, III-4-4
kop (van het staakijzer) kop van het staakijzer:   kǫp (Lummen)
kop afdoen kop verwijderen:   kǫp āfdōn (Weert)