e-WLD trefwoorden 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 140309
TrefwoordBegrip: dialectopgave (plaats)Toelichting
knipoogje geven knipogen:   knipuigske gaeve (Haelen, ... ), knipuigskə gēēvə (Kelpen) III-1-1
knipoogjes geven knipogen:   knipögskes gêve (Merselo), mekoar knipeugskes gêve (Gennep) III-1-1
knippebrood knipbrood:   knepǝbrōt (Sittard) II-1
knippelband roedeband:   knepǝlbantj (Maxet) II-3
knippeltje broodje: Syst. Eijkman  knepəltjə (Gennep) III-2-3
knippelworst cervelaatworst:   knippelwaorst (Castenray, ... ) III-2-3
knippen bekeuren:   knepə (Bree), knippen (Bree), castreren:   knepǝ (Ell, ... ), knepǝn (Obbicht), castreren met de gesloten methode:   knepǝ (Echt), constateren:   knippen (Eisden), de heg knippen:   knepə (Montfort), knippe (Maastricht, ... ), knippen (Gennep, ... ), de koningin knippen:   knepǝ (Heerlen), knepǝn (Dilsen), knippen (Maasmechelen), een gleuf aanbrengen in het deegbrood:   knepǝ (Arcen, ... ), knepǝn (Ottersum), knippen (Genk, ... ), knipǝ (Eijsden, ... ), knøpǝ (Houthalen), knępm (Lommel), geslachtsgemeenschap hebben:   knippe (Sint-Truiden), plat  knippe (Hasselt), knappen:   knippe (Weert), knìppen (Ophoven), knikkeren:   `kni̯.pə (Gemmenich), knepe (Montzen), kneppe (Montzen), knippe (Epen, ... ), #NAME?  knippe (Mechelen), (= knikkeren in een ring).  knippe (Mechelen), (= met duim en wijsvinger den knikker doen voortrollen).  knippen (Epen), knikkertermen: NB knippers: drukknopen.  knippe (Tegelen), knipogen:   knippen (Stein, ... ), knippə (Opglabbeek), knippen, snijden:   knepǝ (Eisden, ... ), knepǝn (Tessenderlo), knippen (Achel, ... ), kortwieken:   knepǝ (Boekt Heikant, ... ), knepǝn (Achel, ... ), knippen (Kaulille), spijkers doorknippen:   knepǝ (Herten), strepen maken op het deegbrood:   knippen (Hout-Blerick), vergaartekens:   knepǝ (As, ... ), knīpǝ (Eijsden), (enk)  knep (Genk, ... ) I-11, I-12, II-1, II-12, II-6, II-7, III-1-1, III-2-1, III-2-2, III-3-1, III-3-2, III-4-4
knipper drukknoop:   knepǝr (Bocholt, ... ), knepər (Lommel, ... ), knipper (Herten (bij Roermond), ... ), knipper(ke) (Bree), knippers (Tegelen), B.v. van een kleed. < knippen, WNT VII2 kol. 4689, II afl. 4.  knepər (Hamont), groot in zijn soort:   ⁄n knipper (Maasniel), knikker:   knepper (Thorn), sneeuwbes: de vruchtjes  knepərs (Meterik), wasknijper:   knepərs (Lanaken) II-7, III-1-3, III-2-1, III-3-2, III-4-3, III-4-4
knipperen knappen:   knippere (Horst, ... ), knipperen (Montfort, ... ), knipperə (Stein), knippərə (Beesel, ... ), knippərən (Diepenbeek), knïppere (Schimmert), (met veel geluidjes achter elkaar).  knippere (Tienray), knibbelen:   knipperen (Montfort), knipogen:   knippere (Baarlo), knipperə (Doenrade), sein voor begin en einde van de schaft:   knepǝrǝ (Geleen  [(Maurits)]   [Maurits]), vergaartekens:   knipǝrǝ (Bleijerheide) II-5, II-7, III-1-1, III-3-2, III-4-4
knippertje drukknoop:   knepǝrkǝ (Meijel, ... ), sneeuwbes: WBD / WLD  knéépərkə (Beesel) II-7, III-4-3