e-WLD trefwoorden 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 140309
TrefwoordBegrip: dialectopgave (plaats)Toelichting
duistere, een - knorrepot:   duusterĕ (Heerlerbaan/Kaumer) III-1-4
duistere, een ~ sjacheraar: ps. letterlijk overgenomen (dus niet omgespeld!).  enne dūūsterre (Klimmen) III-3-1
duisteren donker worden, duisteren:   deistere (Genk), distərə (Meeuwen), duisteren (Born, ... ), duistərən (Diepenbeek), dusteren (Hechtel), duustere (Geleen, ... ), duusteren (Eksel, ... ), dŭustere (Meerlo), dŭŭstert (Schimmert), dûûstərə (Schimmert), hət dystərt (Neerpelt), t dusteren (Achel), t duustert (Neerpelt), t døistərt al (Zolder), te duustere (Stevensweert), ət dystərt (Overpelt), ’t is vandaag al vruug oan’t duusteren (Eksel), ⁄t døͅstər (Linkhout), (normaal) schemeren, zelden in de betekenis van duister worden.  dystərə (Bocholt), B.v. t was in den duistere, daarmee kost ich het niet goed zien.  duistere (Beringen), Daar bestaat voorzeker geen naamwoord.  t is an het dŭsteren (Engsbergs), Klank: "ui"zonder i.  t duisters (Lommel), schemeren:   deisteren (Stokrooie), schemeren van de ogen:   t duistert mich vur m`n auge (Hoensbroek) III-1-1, III-4-4
duisterheid donker, duisterx: eigenlijk en figuurlijk.  duusterheid (Maastricht) III-4-4
duisterigheid donker, duisterx: eigenlijk en figuurlijk.  duusterigheid (Maastricht) III-4-4
duistering schemering, valavond:   duusterring (Kaulille) III-4-4
duisternis schemering, valavond:   dustərnis (Guigoven) III-4-4
duisterrode roodbonte koe van het donkerrode type:   dystǝrrōi̯ (Milsbeek, ... ) I-11
duit achtste deel van een stuiver:   duit (Grathem, ... ), ein duit (Roermond), ennen duit (Schimmert), ’n deùt (Gronsveld), ’n duit (Klimmen), Opm. dit woord wordt niet meer gebruikt.  en duit (Echt/Gebroek), ps. letterlijk overgenomen (dus niet omgespeld!).  duu:t (Herten (bij Roermond)), ene dūūt (Jabeek), ps. omgespeld volgens Frings.  dait (Tongeren), dy(3)̄t (Lanklaar), døͅt (Val-Meer), nən døͅt (Hasselt), ps. omgespeld volgens IPA.  da͂i̯t (Tongeren), da͂u̯t (Tongeren), cent:   un duit (Maastricht), kluit (geldstuk): Van Dale: duit, 1. oude koperen munt, het achtste deel van een stuiver.  d"t (Aalst-bij-St.-Truiden), dø.ət (Tessenderlo), døjt (Hoepertingen), døjət (Voort), døət (Zonhoven) III-3-1
duiten geld:   duite (Gronsveld, ... ), duiten (Valkenburg), duute (Born), ps. omgespeld volgens Frings.  dø͂ͅi̯tə (Rotem), ps. omgespeld volgens IPA.  dø͂ͅi̯tə (Rotem), halve stuiver: ps. omgespeld volgens Frings.  døtə (Wellen) III-3-1