e-WLD trefwoorden 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 140309
TrefwoordBegrip: dialectopgave (plaats)Toelichting
duikboot veel te grote schoen:   døͅkboewete (Halen) III-1-3
duikdistel melkdistel:   duikdistel (Kaulille, ... ) I-7, III-4-3
duikeend restant vogels:   duukaenj (Stokkem), brilduiker: wit en zwarte eend, de woerd heeft een ronde witte veer naast zijn oog; het wijfje is grijs met bruine kop (brilduiker, duikelder)  duukeing (Vlodrop), krooneend: eend met grote roodbruine kop en een rode snavel; het wijfje heeft slechts een bruine kop (krooneend, kroonkop)  duikeenj (Stein), kuifeend (43 zwart-wit duikeendje met hangkuifje; broedt hier nu ook  dōēkèèntj (Puth), toppereend (48 zwart-witte duikeend zonder kuif; broedt hier niet  dōēkèèntj (Puth), duukèndj (Mechelen-aan-de-Maas), dø͂ͅkēnt (Sint-Truiden), witoogeend: roodbruin duikeendje, verwant met de kuifeend (bruintje, witoogeend, duikelder)  doekeenj (Stein), duukeing (Itteren) III-4-1
duikeendje dodaars:   duukèèndje (Horn), duukèèntje (Baexem), duukééntje (Haelen), dūūkèèntjes (Haelen), fuut:   doekaentje (Limbricht), dūūkèndje (Grevenbicht/Papenhoven), restant vogels: kuifeend (43 zwart-wit duikeendje met hangkuifje; broedt hier nu ook  dūkhēntšə (Meeswijk), witoogeend: roodbruin duikeendje, verwant met de kuifeend (bruintje, witoogeend, duikelder)  doekééntjə (Urmond), duukeandje (Blerick, ... ), waterhoen:   duukeintsje (Mechelen-aan-de-Maas), IPA, omgesp.  dy(3)̄ək˂ēͅəntšə (Rekem), of: duikhoentje?; IPA; omgesp.  dukhēntšə (Meeswijk), waterral:   doekaenjtje (Urmond), doekaentje (Urmond), watersnip:   doekèèntje (Stein) III-4-1
duikelaar dodaars:   dy(3)̄kəlēͅr (Kinrooi), restant vogels: brilduiker: wit en zwarte eend, de woerd heeft een ronde witte veer naast zijn oog; het wijfje is grijs met bruine kop (brilduiker, duikelder)  deukelēer (Brunssum), duikelair (Montfort), duikelleer (Beesel), duukelear (Lutterade), duukeler (Born), duukelèr (Geulle), dŭŭkelaer (Schimmert), witoogeend: roodbruin duikeendje, verwant met de kuifeend (bruintje, witoogeend, duikelder)  duikelleer (Beesel), dŭŭkelaer (Schimmert) III-4-1
duikelen dompelen:   duukele (Asenray/Maalbroek), duiken:   dauwəkələn (Tessenderlo), deukele (Hasselt), diekelen (Neeroeteren, ... ), doeikelen (Opoeteren, ... ), doukele (Stevoort), duikele (Gutshoven, ... ), duikelen (Beringen, ... ), dui’elen (Lommel), dukele (Maaseik, ... ), dukkelen (Vucht), duuk`le (Bocholt), duukelen (Neerpelt, ... ), dūëkele (Rekem), dôkelen (Stokrooie), dôëjkelen (Tessenderlo), dö-ələn (Oostham), dökele (Beringen), dükele (Rekem), dükelen (Achel), en t waəter dø͂ͅkele (Herk-de-Stad), en t wetter denkele (Hoepertingen), en twa͂wətər dəkəln (Zonhoven), en ət wāter dükele (Rekem), entwa͂ter dōͅkele (Houthalen), in et water doekele (Kinrooi), in het waoter doaikelen (Tessenderlo), in het water duikelen (Beringen, ... ), in het water dükelen (Kaulille), in het wetter duikelen (Gorsem), in t waoter duikelen (Neerpelt), in t waoter dükelen (Achel), int water duikelen (Maaseik), int water duïkele (Maaseik), int wetter denkelen (Heers), int wetter duikele (Wellen), int woweter dui-elen (Lommel), int wâter duikelen (Grote-Spouwen), änt wa͂ter dökele (Zonhoven), én het woïter deuikele (Riksingen), [OVT]  daukelde (Peer), ich dukkelde (Stokkem), B.v. (2) Van de wipplank duikelen.  døͅəkələ (Niel-bij-St.-Truiden), Hij duikelde van de wipplank.  døͅy?ələn (Lommel), Hij duikelt van de brug af het water in.  dykələ (Meeswijk), lange u  int waater dukelen (Reppel), moeilijk leesbaar  duingkelen (Kwaadmechelen), of wooter?  in t woater duikelen (Sint-Huibrechts-Lille), Sub plonger: Het Nl. woord d[.yk\\l\\wordt ook gehoord, maar dan alléén om het duikelen in het water uit te drukken; (nooit bij het voetbalspel).  dø.ykələ (Tongeren), Syn. plónzjeere.  deù.kele (Zolder), u of oe?  in t water dūkelen (Kaulille), ui tussen ui en eu  duikele (Paal), ui zoals in franse un  int wōtter duikelen (Koersel), ü of oe?  dukele (Beek (bij Bree), ... ), dukelen (Moelingen), dukkelen (Opgrimbie), duukele (Ophoven), duukelen (Dilsen), in het water dukelen (Mechelen-aan-de-Maas), in t water dukele (Kaulille), in t water dukelen (Bocholt), int waoter dukelen (Riemst), int water dukele (Neeroeteren), naar beneden duiken:   doekele (As), vooroverduikelen:   deukele (Heerlen), dikələ (Neeroeteren), doekele (Heerlen), dōͅuwəkələ (Tessenderlo), doͅwəkələ (Tessenderlo), duikele (Belfeld, ... ), duikelen (Hoensbroek), dukele (Buchten, ... ), dukelen (Maastricht), duukele (Baexem, ... ), dūkele (Blerick), dūūkele (Hoensbroek, ... ), dy(3)̄kələ (Kanne, ... ), dykələ (Bocholt, ... ), dykələn (Hamont), dèùkele (Mechelen), døykələ (Bree), døəkəl (Maaseik), dø͂ͅikələ (Achel), dø͂ͅkələ (Beverlo, ... ), døͅ`əlṇ (Kwaadmechelen), døͅjkələ (Neerpelt), døͅkələ (Koersel), døͅYkəln (Koersel), døͅykələ (Opheers, ... ), døͅykələn (Achel, ... ), døͅəkələ (Gingelom), dûûkele (Blerick), gedukeld (Sittard), hè duikeldje (Weert) III-1-2, III-3-2
duiken (zich) bukken:   doeke (Meijel), duukke (Klimmen), dompelen:   døke (Thorn), Ndl. duiken  døkke (Obbicht), duiken:   daaike (Tongeren), doeke (Gruitrode), donke (Eupen), douëken (Kwaadmechelen), duike (Lummen, ... ), duiken (Alken, ... ), duiəkən (Sint-Truiden), duke (Eupen, ... ), duuke (Venlo), duûke (Kaulille, ... ), dààken (Sint-Truiden), dø͂ͅike (Loksbergen), dúike (Sint-Truiden), dûke (Bree), ent wâter düəkə (Bree), in het water dauken (Peer), in hèt wetter douken (Ulbeek), in t waoter dauke (Beverlo, ... ), in t waoter dauken (Beverlo), in t waoter doken (Mopertingen), in t water doken (Mopertingen), in t water duiken (Peer), in t woater doke (Rosmeer), in t woitter duiken (Linkhout), on t waoter dooken (Eigenbilzen), ondərwaətər duiəjkə (Leopoldsburg), zich duiken (Bree), èn het waeter duike (Hasselt), èn t water dûke (Opglabbeek), èn t wàter duiken (Hasselt), Ich dook en snapdjen m biej de bein.  duke? (Echt/Gebroek), In t water -.  duke (Swalmen), moeilijk leesbaar  dohheken (Helchteren), NB 2. Duikelen: de keeper duikt naar de bal.  døͅəkə (Niel-bij-St.-Truiden), Sub plonger: naast duiken.  duiken (Kanne), u of oe?  in t water dukken (Kaulille), ueu zoals in gueule  èn t wàter dueuke (Hasselt), ui als de schwa in het , maar lang aanhouden  in het water duiken (Paal), ui als zonder i  onder waoter duiken (Genk), onder wetter duiken (Genk), Van obbe kant doök ter de kolk ein van Boembroekmeule al sjijnt da gevaorlek te zijn: hij dook in de kolk van de Bombroekmolen, hoewel dat gevaarlijk is.  duike (Kortessem), zwakke o  dōke (Borgloon), ü of oe?  duke (Hamont, ... ), dūken (Bocholt), in t waoter duuken (Lanaken), ü?  duke (Montzen), met snelheid over iets heen vliegen:   duke (Geleen), duuke (Geleen), duukkə (Grevenbicht/Papenhoven), middagdutje doen:   dŭŭkkə (Heerlen), naar beneden duiken:   doeke (Lutterade), duuke (Sevenum, ... ), dūūkə (Guttecoven), dykə (Meijel), Algemene opmerkingen bij deze vragenlijst:  duke (Thorn), samentrekken van de vleugels:   duike (Geleen), Algemene opmerking: deze vragenlijst is nogal slecht (= weinig antwoorden) ingevuld!  duuke (Gruitrode), sluimeren: korte oe  dŏĕke (Mheer), vooroverduikelen:   doeke (Ulestraten), dōͅ.kən (Houthalen), duike (Weert), duiken (Eksel), duke (Maastricht, ... ), duuke (Herten (bij Roermond), ... ), døüjke (Tongeren), døͅkə (Hasselt), də:kə (Leopoldsburg) III-1-2, III-3-2
duiker anker, maat van 1/4 aam (39 l.):   duker (Meerlo), dodaars:   duuker (Linne, ... ), duiker:   di-jker (Bree), dĭĕker (As), duiker (Blerick, ... ), duikər (Diepenbeek, ... ), duker (Born, ... ), duu.kər (Grathem, ... ), duuiker (Montfort), duuker (Amby, ... ), duukər (Guttecoven, ... ), dūūker (Blerick, ... ), dūūkər (Heel, ... ), dŭŭkkər (Meijel), dŭŭkər (Gennep, ... ), dûiker (Schimmert), dûûker (Blerick, ... ), dəəkər (Loksbergen), duivel: [sic]  dy(3)̄kər (Montzen), fuut:   duker (Belfeld), duuker (Swalmen), dūūker (Grevenbicht/Papenhoven, ... ), døͅkər (Hasselt), grote egelskop:   duuker (Schimmert), idiosyncr.  duuker (Thorn), WLD  duuker (Montfort), restant vogels:   duuker (Gennep, ... ), brilduiker: wit en zwarte eend, de woerd heeft een ronde witte veer naast zijn oog; het wijfje is grijs met bruine kop (brilduiker, duikelder)  duker (Heer, ... ), duuker (Ell), krooneend: eend met grote roodbruine kop en een rode snavel; het wijfje heeft slechts een bruine kop (krooneend, kroonkop)  dūūkör (Stevensweert), toppereend (48 zwart-witte duikeend zonder kuif; broedt hier niet  duker (Maastricht), duuker (Maastricht), riool: onder een straat  duker (Mechelen-aan-de-Maas), vgl. N 90, 052: de waterdoorgang onder een weg [duiker, heul, geul, schoor]  dūūkër (Lanklaar), nən døikər (Beverlo), ənən dykər (Lanklaar), tongewelf:   dȳkǝr (Tegelen, ... ) II-9, III-3-1, III-3-3, III-4-1, III-4-3, III-4-4
duikereendje taling:   duukeraentje (Baexem) III-4-1
duikergewelf tongewelf:   dȳkǝrgǝwø̜lǝf (Weert) II-9