e-WLD trefwoorden 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 140309
TrefwoordBegrip: dialectopgave (plaats)Toelichting
lishoen waterhoen:   luusjhoun (Sittard) III-4-1
lishoentje restant vogels: krakeend: donkere grijsbruine zwemeend met witte vleugelspiegel (kraker, krakeend, krek, schar, krak, kreest, krust)  luusjheunke (Grevenbicht/Papenhoven), waterhoen:   luusheunke (sleept.) (Echt/Gebroek), luusjheunke (Guttecoven), luusjhuinke (Limbricht, ... ), frequenter dan waterheunke  luusjheunke (Buchten), kleine waterhoen; luusj = lis, cf Schelberg  luusjhuinke (Sittard) III-4-1
lisijzer biesijzer:   lēs˱īzǝr (Heel), lęjs˱īzǝr (Eisden, ... ), lęs˱ē̜zǝr (Hasselt), lęš˱īzǝr (Klimmen, ... ) II-12
liskaars aar van de lisdodde: 2e è lang uitspreken  lèschkèts (Welten) III-4-3
lismes stopmes:   lē̜smɛs (Borgloon), lęšmɛts (Klimmen) II-12
lispel ongeordende hoeveelheid, chaos:   lispel (Bree, ... ) III-4-4
lispelen fluisteren: (g. Ned.)  <lispelen> (As), Van Dale: lispelen, 1. de s en z onduidelijk, met een eigenaardig zacht gesis uitspreken; - 2. met onduidelijke, zwakke stem uiten, fluisteren.  leͅspələ (Maastricht), li.spələ (Hoepertingen), lispele (Afferden, ... ), lispelen (Elen), lispələ (Amby, ... ), lispələn (Tessenderlo), luspele (Schaesberg), Van Dale: lispelen, 2. met onduidelijke, zwakke stem uiten, fluisteren.  lispelen (Leopoldsburg), lispelen (slissen): Van Dale: lispelen, 1. de s en z onduidelijk, met een eigenaardig zacht gesis uitspreken; - 2. met onduidelijke, zwakke stem uiten, fluisteren.  leespele (Sevenum), lēēspele (Sevenum), liespele (Vaals), lispele (Blerick, ... ), lispelen (Born, ... ), lispelle (Vlodrop), lispelt (Stein), lispelə (Doenrade, ... ), lispèle (Beek), lispəl-t (Maastricht), lispələ (Amstenrade, ... ), lispələn (Urmond), līspəllə (Grevenbicht/Papenhoven), lĭĕspələ (Heerlen), luspele (Geleen), roezemoezen: Van Dale: lispelen, 1. de s en z onduidelijk, met een eigenaardig zacht gesis uitspreken; - 2. met onduidelijke, zwakke stem uiten, fluisteren.  lispele (Meijel, ... ), lispelen (Leopoldsburg, ... ), lispələ (Kelpen), Van Dale: lispelen, 1. de s en z onduidelijk, met een eigenaardig zacht gesis uitspreken; - 2. met onduidelijke, zwakke stem uiten, fluisteren.v  lispuln (Brunssum), ruisen (van de wind):   lispele (Klimmen) III-3-1, III-4-4
lispeleren fluisteren:   lispeleire (Elen) III-3-1
lispen fluisteren: Van Dale: lispen, lispelen (m.n. in de bet. 2 [met onduidelijke, zwakke stem uiten, fluisteren])  li̯spən (Bocholt), zacht spreken  lispen (Swolgen) III-3-1
lisplant lis (alg.):   lisplaont (Nieuwerkerken) III-4-3