e-WLD trefwoorden 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 140309
TrefwoordBegrip: dialectopgave (plaats)Toelichting
kontzweer blikaars:   kontzwèr (Eigenbilzen) III-1-2
koo koor: [sic: opgave onvolledig?]  ko (Broeksittard) III-3-3
koof doordeweekse muts: Koof.  kuəf (Beverlo), koof: Algemeen woord voor muts.  kuəf (Kwaadmechelen), Cfr. infra [015: slaapmuts voor de vrouw]  kuəf (Tessenderlo), Hoedje met linten onder de kin.  kôf (Leopoldsburg), i.e. [met] of muts.  kuwəf (Beringen), Id. 039c, maar kleiner.  kuwəf (Paal), Van Dale: koof (<Fr.), (gew.) 1. vrouwenmuts.  kof (Kermt), koof (Oirlo, ... ), kuf (Eisden), Zie 32:h) en 33:a). Andere betekenissen: - muts met linten die boven op het hoofd werden vastgebonden - klein mutsje, meestal in donkere kleur, gedragen onder een andere muts.  kuəf (Beverlo), zie afbeelding 35  kuwəf (Halen), nevelslinnen mutsje met plooienrand en kinbanden:   kuwəf (Halen), slaapmuts: Slaapmuts voor de vrouw.  kuəf (Tessenderlo), witte muts met fijne plooien en een afhangend strookje: Koof.  kuəf} ? (Beverlo), witte muts met linten:   kuwəf (Halen), zwarte muts?:   kuwəf (Paal) III-1-3, III-1-3
koof (fr. coiffe) van oudere vrouwen slaapmuts:   mùts (Tongeren)
koofje nevelslinnen mutsje met plooienrand en kinbanden:   kuəf(kə) (Kwaadmechelen), ondermuts:   kø͂ͅfkə (Beverlo), witte muts met een strik onder de kin:   kufkə (Beringen) III-1-3
kooi bed:   kuuj (As, ... ), kūəi̯ (Stokkem), kôj (Gronsveld), nuò¯zën kói go¯n  kói (Tongeren), plat  kuəi̯ (Meeswijk), spelling Beverlo wbk.; \": naslag (stomme e)  koej (Beverlo, ... ), bekkenholte:   kauw (Schimmert), koj (Lommel), kooij (Echt/Gebroek), kōēi (Tungelroy), kōēj (Nederweert), kwai (Kerensheide), kôêi (Broekhuizen), doel:   kooi (Dilsen), kōēëj (Hasselt), duivenhok:   de kui (Venray), kouw (Geleen), kŏw (Sevenum), kuuj (Sevenum), kôôj (Buggenum), kōi̯ (Buggenum), kǫu̯ (Sevenum), kǫu̯i̯ (Ellikom), Algemene opmerking bij deze vragenlijst: zie ook bijlagevellen met (eventuele) aanvullingen en diverse toelichtingen.  kuij (Wanssum), duivenmand:   in kōj (Eksel), ən kūj (Lanklaar, ... ), eenvoudige of armoedige woning:   koeej (Weert), pejoratief  kuuj (Bree), hoed: spotnamen:   kooi (Herten (bij Roermond), ... ), hondenhok:   ky(3)̄i̯ (Meeuwen), huis:   kūəi̯ (Stokkem), huis, woning:   kōēëj (Hasselt), kuəi̯ (Tungelroy), kūi̯ (Hamont), kwaoj (Echt/Gebroek), Hië hit (d)òòë nógal ¯n koej stòò.ën: hij heeft een kast van een huis  koej (Zonhoven), kippenren:   kūi̯ (Bocholt), kudde schapen:   kui̯ (Heusden, ... ), ky (Beringen, ... ), kyi̯ (Zolder), kyǝ (Eksel, ... ), kȳ (Linkhout), kȳi̯ (Koersel), kȳǝ (Berverlo, ... ), køi̯ (Hamont), køu̯ (Kaulille), kø̄i̯ (Achel, ... ), (Peer), kīǝ (Beek, ... ), kōi̯ (Kerkhoven, ... ), kūi̯ (Kwaadmechelen, ... ), kūǝ (Hechtel), kudde volwassen varkens:   ki (Peer), kuǝ (Koersel), kuǝi̯ (Kleine-Brogel), ky (Beringen, ... ), kȳǝ (Wijchmaal), kōi̯ (Grote-Brogel), schachtkooi:   koaj (Stein  [(Maurits)]   [Emma]), kooi (Brunssum  [(Emma / Hendrik / Wilhelmina)]   [Maurits]), kōj (Nieuwstadt  [(Maurits)]  , ... [Beringen, Zolder, Houthalen, Zwartberg, Winterslag, Waterschei, Eisden] [Maurits]), kǫaj (Geleen  [(Maurits)]   [Emma, Maurits]), kǫj (Meijel  [(Emma / Maurits)]   [Maurits]), spotnaam voor hoge hoed:   kooi (Herten (bij Roermond)), troep biggen in het algemeen:   kȳǝ (Berverlo), volière:   koei (Genk), koo:j (Roermond), köj (Blitterswijck, ... ), zeugekooi:   kōai̯ (Horn), kǫi̯ (Gennep, ... ), zomerverblijf:   kuǝi (Echt) I-12, I-6, II-5, III-1-1, III-1-3, III-2-1, III-2-2, III-3-2
kooi voor de bagzoog zeugekooi:   kȳi̯ vør dǝ baxzǭx (Sevenum) I-6
kooien kaantjes:   kūi̯ə (Niel-bij-As, ... ), oprispen: -3  kooie (Sint-Pieter), wijdbeens lopen:   kòoje (Kerensheide) III-1-2, III-2-3
kooienafdeling kooiafdeling, kooivak:   koajǝāfdęjleŋ (Stein  [(Maurits)]   [Julia]) II-5
kooieren slecht groeien:   kooieren (Stein) III-1-1