e-WLD trefwoorden 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 140309
TrefwoordBegrip: dialectopgave (plaats)Toelichting
fijmelen aftroggelen: WNT: fijmelen?  feimele (Ell), liefkozen:   feimele (Weert), trekken en talmen: WNT: fijmelen, fimelen. Hetzelfde woord als femelen. In de algemeene taal verouderd. -5. treuzelen, talmen, dralen.  fīēmele (Swalmen) III-1-4, III-3-1
fijn bezadigd: ook materiaal znd 21, 18  ee fijn man (Koersel), chic:   fain (Kerkrade), fijngebouwd:   fai̯n (Tongeren), fenj (Meijel), fi (Remersdaal), fii̯ǝn (Neerpelt), fin (Bree, ... ), fēi̯n (Maaseik, ... ), fē̜i̯ǝn (Beverst), fē̜n (Houthalen), fęi̯n (Genk, ... ), (Mechelen), fīn (Achel, ... ), fīǝn (Heel, ... ), fɛi̯n (Halen, ... ), fɛ̄n (Hasselt, ... ), geestig:   fiên (Venlo), grappig:   fi-jn (As), ook materiaal znd 24, 26  fein (Boorsem), kieskeurig:   fien (Limmel), fīēn (Heer), klein in zijn soort:   fien (Roermond), kuis, ingetogen:   finj (Meijel), lauw weer:   fīēn (Gruitrode, ... ), mager:   fie:n (Weert), fien (Maastricht, ... ), fīn (Hees), mooi:   féin (Sittard), nauwgezet; nauwgezet persoon:   fīēn (Hegelsom, ... ), oude grassoorten:   fīn (Oost-Maarland), prettig:   fein (Swalmen), fijn (Posterholt), preuts:   fien (Maastricht, ... ), fĭĕn (Gennep), raar, vreemd:   fèèn (Sint-Truiden), rechtvaardig:   fijne vent (Wijlre), slank:   feejen (Wellen), feen (Val-Meer), fein (Bilzen), fie (Simpelveld), fie:n (Herten (bij Roermond)), fieen (Weert), fien (Caberg, ... ), fien (van knëuk) (Neer), fiēn (Schimmert), fién (Geulle), fiën (Neeroeteren), fīēn (Heerlen, ... ), hae/zie is fien (Klimmen), (ie heel lang).  fien (Vlodrop), PLAATS: De informant geeft als gehucht Kiefhoek op.  fiên (Eksel), zwak, ongezond:   fieen (Weert), fieēn (Herten (bij Roermond)), fien (Geulle, ... ), fien gebowd zien (Wolder/Oud-Vroenhoven), fiēn (Valkenburg), fīēn (Heerlen), zwak, slap:   fien (Kapel-in-t-Zand) I-2, III-1-4, II-12, II-9, II-6, II-6, I-3, I-9, III-1-1, III-1-2
fijn [eggen] met vollen eggen:   fīn [eggen] (Kronenberg  [(met een halve vol)]  )
fijn afgewerkt nauwgezet; nauwgezet persoon:   féén àfchəwèrrək (Brustem)
fijn afwerken fijn vijlen:   fęjn āfwęrkǝ (Dilsen)
fijn besleten kwast goed besleten kwast:   fęjn bǝšliǝtǝ kwas (Klimmen)
fijn bouw fijn broed:   fīn bǫw (Asenray / Maalbroek) III-1-4
fijn broed fijn broed:   fenj brut (Meijel), fijn broed (Neer, ... ), fīn brōt (Asenray / Maalbroek, ... ), werkbijenbroed:   fi.n brōt (Weert), fijn broed (Lommel, ... ), fin brut (Ysselsteyn), fīn brut (Asenray / Maalbroek, ... ), fīn brōt (Asenray / Maalbroek, ... ), fīǝn brut (Heerlen) , III-2-2, III-4-4
fijn doek fijn weefsel:   fīn dōk (Stramproy) II-7
fijn doek spinnen fijn spinnen:   fīn dōk spenǝ (Maxet) II-7