e-WLD trefwoorden 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 140309
TrefwoordBegrip: dialectopgave (plaats)Toelichting
bindzeel stalband:   bęnzēl (Beverst), touw om het hooi vast te sjorren:   bent˲zē̜l (Rosmeer), benzęi̯l (Noorbeek), beŋzęi̯l (Margraten, ... ), biŋzēl (Mechelen, ... ), biŋzīl (Eys), bę.nzil (Hasselt), bęŋzēl (Vaals), bīnzēl (Mheer) I-10, I-3
bindzeil steigertouw:   beŋzęjl (Houthem, ... ) II-9
binet (fr.) zaaimachine:   bǝnɛt (Tongeren) I-4
binette aanaardhandploeg:   bǝnęt (Halen, ... ), handcultivator:   bǝnęt (Niel-Bij-Sint-Truiden, ... ), schoffelmachine:   ban`ęt (Oost-Maarland), bin`ęt (Bilzen, ... ), bon`ęt (Noorbeek, ... ), bǝnet (Hoepertingen), bǝnęt (Borlo, ... ), trekschoffel:   bǝnęt (Rummen) I-5
binetten wieden met de schoffelmachine:   bin`ętǝ (Bilzen, ... ), bǝnetǝ (Hoepertingen), bǝnętǝ (Gingelom, ... ) I-5
bing leurder: ps. omgespeld volgens Frings.  beŋ (Bree) III-3-1
bingelen bikkelen:   bingele (Gulpen) III-3-2
bingenwagen woonwagen: vgl. Bree Wb. (pag. 85): bing, vervorming van bink (Bargoens voor man) en beng (zigeunertaal voor "duivel"). Benaming voor woonwagenbewoner of voor een slordig gekleed persoon. Ss. bingewage, bingemanére, bingevuik(ske).  dingewage (Bree) III-3-2
bingo kienen add.:   bingo (Montfort) III-3-2
bink losse plankbrug:   bink (Belfeld), man, manspersoon:   bienk (Sint-Truiden), pooier:   ne bink (Genk) III-2-2, III-3-1