e-WLD trefwoorden 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 140309
TrefwoordBegrip: dialectopgave (plaats)Toelichting
knunk (vero.) kanunnik: zei men vroeger  ne knúnk (Tongeren) III-3-3
knupertjes stekelbrem: z. L.J. p. 23, genista anglica  knöperkes (Zonhoven) III-4-3
knuppel dorsvlegel:   knuppel (Sevenum), draaiboom voor de schulpboor:   knøpǝl (Mechelen), eglichter:   knøpǝl (Koersel), knø̜pǝl (Houthalen), futloze jongen:   das ne knèppel (Kuringen), getuigrek:   knøpǝl (Leopoldsburg), haarvlecht:   knuppel (Eijsden), hak:   knøpǝl (Mechelen, ... ), knø̄pǝl (Henri-Chapelle, ... ), knø̜pǝl (Aubel, ... ), hak van een schoen:   kneupel (Henri-Chapelle, ... ), kneupel van ne schoone (Welkenraedt), kneuppel (Remersdaal, ... ), knuppel (Mechelen), knöpel (Gemmenich, ... ), knöppel (Mechelen, ... ), knöpəl (Montzen), knøpəl (Montzen, ... ), knøͅpəl (Teuven), horizontale sluitbalk van een poort:   knø̜pǝl (Romershoven), karnstaf:   knøpǝl (Baarlo), klepel: [sic]  de kneupel van een klok (Remersdaal), knuppel:   knuppel ([Maurits]), knuppel, knots:   kneeppel (Rosmeer), knepel (Broekom), kneppel (Bilzen, ... ), knepəl (Hasselt, ... ), kneuipel (Millen), kneupel (Ulbeek), kneuppel (Diepenbeek, ... ), kneuəpel (Sint-Lambrechts-Herk, ... ), kneüpel (s-Herenelderen), knĕppĕl (Vroenhoven), knĕŭppəl (Sint-Truiden), knippel (Afferden, ... ), knipəl (Beverst, ... ), knīppel (Hasselt), knoepel (Tongeren), knoopəl (Eigenbilzen), knōͅppəl (Lanaken), knueppel (Paal), knujpel (Sint-Truiden), knuppel (Arcen, ... ), knuppəl (Epen, ... ), knupəl (Zolder), knŭppel (Eys, ... ), knypl (Heppen), knyppəl (Beverlo), knypəl (Beringen, ... ), knáppel (Kerniel), knèpel (Stokrooie, ... ), knèppel (As, ... ), knèŭpel (Wellen), knêppel (Kuringen), knêpəl (Kermt), knëpfel (Maaseik), knëppel (Rosmeer), kníppel (Val-Meer), knö.pəl (Vroenhoven), knöppel (Amby, ... ), knöpəl (Arcen, ... ), knø.pəl (Gennep, ... ), knøppel (Mettekoven), knøppəl (Beringen), knøpÒÒḷ (Heusden), knøpəl (Alken, ... ), knøypəl (Lummen), knøͅppel (Diepenbeek), knøͅppĕl (Diepenbeek), knøͅpəl (Hasselt, ... ), knùppel (Hasselt, ... ), knûpəl (Mheer), knüppel (Wijlre), knəpel (Hoepertingen, ... ), knəppel (Genk, ... ), knəppəl (Genk, ... ), knəpəl (Genk, ... ), knɛppel (Lanaken), knɛppəl (Heers), knɛpəl (Zutendaal), knu:p = knoop in touw  knipəl (Vlijtingen), knøpəl (Vlijtingen), Meest frequent  knəppel (Nieuwerkerken), Minder  kneupel (Heers), Ook een verwarde knoop  knøpəl (Millen), trommelstok!  knipəl (Eigenbilzen), verouderd  knøpəl (Hoeselt), verouderd; zeldzaam  knøpəl (Rijkhoven), korteling:   knøpǝl (Kerkrade, ... ), knø̜pǝl (Maastricht, ... ), kruk, aardappelpoter:   klępǝl (Opglabbeek), oud, versleten paard:   knøpǝl (Sevenum, ... ), penis:   knuppel (Vijlen), Gemeen  knuppel (s-Gravenvoeren), prutser:   knöppel (Maasbree, ... ), spaak:   knuppel (Meerlo), spanhout:   knø̜pǝl (Boekend), stam uit een haag:   knuppel (Roermond), knôppel (Boekend), stok of twijg om een kind te straffen:   knöppel (Horst), vlegelknuppel, slaghout:   klepǝl (Meijel), kløpǝl (Leunen), klø̜pǝl (Ell, ... ), klɛpǝl (Maasmechelen), knøpǝl (Gennep, ... ), knø̜pǝl (Gulpen), voedermik:   knøpǝl (Tegelen), vregelstok:   klø̜pǝl (Beek), knø̜pǝl (Mechelen), wulps persoon: zie ook WLD III, 2.2. lemmata "onkuis"en "geil, wellustig  knuppəl (Epen), zwenghout, spoorstok:   knø ̞pǝl (Heerlen, ... ) I-11, I-13, I-2, I-3, I-4, I-5, I-6, I-9, II-1, II-10, II-12, II-5, II-9, III-1-1, III-1-2, III-1-3, III-1-4, III-2-2, III-3-3, III-4-3
knuppel uit de heg stam uit een haag:   knôppel oet-de hek (Blerick) III-4-3
knuppelband muilband:   knøpǝlbant (Leunen), roedeband:   knøpǝlbant (Leunen), standerdband:   knø̜pǝlba.nt (Weert) II-3
knuppelbanden asbanden:   knøpǝlbęnt (Leunen) II-3
knuppelbloem knoopkruid: WLD  knuppelblom (Mheer) III-4-3
knuppelen afraffelen:   knöppələ (Hoeselt), afslaan, van noten:   knuppele (Oirlo), dorsen met de dorsmachine:   klø̜pǝlǝ (Lanklaar), dorsen met de vlegel:   klø̜pǝlǝ (Bree, ... ), knepǝlǝ (Blitterswijck, ... ), knøpǝlǝ (Gennep, ... ), noten afslaan:   kneͅppələ (Zutendaal), knuppele (Oirlo), ogen insplitsen of bevestigen:   knøpǝlǝ (Kaulille), opmaken van staart en manen:   knø̜pǝlǝ (Gingelom, ... ), knępǝlǝ (Hasselt), stroppen, gezegd van de draad:   knø̜pǝlǝ (Noorbeek), vlechten:   knuppele (Diepenbeek), knəppele (Jeuk), knəppelen (Jeuk), zwenghout:   knø̜pǝlǝ (Mechelen) I-13, I-4, I-7, I-9, II-3, II-7, III-1-1, III-2-3, III-3-3
knuppelenhout mijnhout:   knøpǝlǝhōts (Bleijerheide  [(Domaniale)]   [Oranje-Nassau I, Oranje-Nassau II, Oranje-Nassau III, Oranje-Nassau IV]) II-5