| 21551 |
geniepige, een ~ (zn.) |
bedekt een onaangenaamheid zeggen:
genīēpige (Q098p Schimmert),
gniepigge (L386p Vlodrop)
III-3-1
|
|
| 18882 |
genies |
gehuil, geschrei:
geniees (L289p Weert)
III-1-4
|
|
| 20572 |
genieten |
peuzelen:
genēte (L366p Gruitrode, ...
L416p Opglabbeek),
gənietə (L331p Swalmen)
III-2-3
|
|
| 25378 |
genik doorsteken |
het ruggemerg doorsnijden of -steken:
gǝnik dørštē̜kǝ (Q202p Eys),
jǝnik dørxštēxǝ (Q121p Kerkrade)
II-1
|
|
| 24190 |
genk |
kolgans:
genk (L269p Blerick),
mannelijke gans:
gaenk (L245a Castenray, ...
L211p Leunen,
L209p Merselo,
L216p Oirlo,
L216a Oostrum,
L212a Smakt,
L210p Venray,
L244a Veulen (bij Venray)),
genk (L271p Venlo),
gēnk (L215p Blitterswijck, ...
L214a Geysteren,
L217p Meerlo,
L246a Swolgen,
L245b Tienray,
L214p Wanssum),
gēŋk (L244c America),
gē̜ŋk (L245p Meterik),
gɛŋk (L295p Baarlo, ...
L297p Belfeld,
L269p Blerick,
L249p Grubbenvorst,
L291p Helden,
L320p Hunsel,
L298p Kessel,
L324a Leveroij,
L267p Maasbree,
L292a Maxet,
L246b Melderslo,
L381b Peij,
L266p Sevenum,
L268p Velden,
L271p Venlo),
gɛ̄ŋk (L215p Blitterswijck, ...
L214a Geysteren,
L217p Meerlo,
L246a Swolgen,
L245b Tienray,
L214p Wanssum)
I-12, III-4-1
|
|
| 29815 |
genker brik |
blauwe steen:
geŋkǝr brek (L414p Houthalen
[(schist: as van de koolmijn)]
)
II-8
|
|
| 22456 |
genkrijden |
gansrijden:
genk rieje (L266p Sevenum),
genkri-je (L217p Meerlo),
genkrieje (L269p Blerick, ...
L269p Blerick,
L269p Blerick,
L267p Maasbree,
L267p Maasbree,
L294p Neer,
L266p Sevenum),
genkrije (L216p Oirlo),
genkrijje (L265p Meijel, ...
L245b Tienray),
gentreeje (L210p Venray),
geͅŋk rijə (L164p Gennep),
geͅŋkrijə (L271p Venlo),
Op carnavalsdinsdag werd een genk (mannetjesgans) aan de poten opgehangen. De nek van het dode dier werd met groene zeep ingesmeerd en ruiters moesten trachten om al rijdend de nek van het dier te trekken.
genkrieje (L295p Baarlo),
Oud volksvermaak bij bepaalde gelegenheden, b.v. met Vastenavond. Tussen twee palen werd op een bepaalde hoogte een dwarspaal vastgemaakt. Hieraan werd oorspronkelijk een levende gans aan de poten opgehangen. De hals van het dier werd met groene zeep ingesmeerd. De hoogte was zo genomen, dat een man, rijdend op een paard, er nog juist bij kon. Met een bepaalde vaart moest men er onder door rijden. Wie de kop van de gans afrukte, was winnaar en mocht het dier houden. Op de meeste plaatsen is dit vermaak al lang in onbruik en zelfs geheel verboden.
gaenk reeje (L210p Venray),
Tussen twee hoge palen aan een dwarspaal werd een levende gans opgehangen. De hals werd met groene zeep ingesmeerd. De hoogte was zodanig dat een man op een paard juist nog bij de kop kon. Men reed onder de gans door en probeerde er de kop af te trekken. Wie dit presteerde werd eigenaar van de genk of gans.
gēnkri-jje (L217p Meerlo, ...
L214p Wanssum)
III-3-2
|
|
| 18839 |
genoeg |
bezadigd:
ook materiaal znd 21, 18
eine dĕ genoch èt (Q008p Vucht),
genoeg (Q168p s-Herenelderen),
inne moaən di-je genoeg hət (P177p Zepperen)
III-1-4
|
|
| 25563 |
genoeg gegangen |
klaar om gebakken te worden:
gǝnox gǝgaŋǝ (L292p Heythuysen, ...
Q012p Rekem,
Q035a Rumpen),
gǝnox gǝgāŋǝ (Q202p Eys, ...
Q095p Maastricht),
jǝnox jǝjaŋǝ (Q121p Kerkrade)
II-1
|
|