e-WLD trefwoorden 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 140309
TrefwoordBegrip: dialectopgave (plaats)Toelichting
doorsnijden ketsen variant van krijgertje spelen: doorlopertje:   doorsni-je kĕtsje (Uikhoven) III-3-2
doorsnijdertje spelen variant van krijgertje spelen: doorlopertje:   dooërsnèèërke (Diepenbeek) III-3-2
doorspelen een duif op een kortere afstand laten vliegen:   doorspelen (Mielen-boven-Aalst) III-3-2
doorsprong gang naast de koeienstand:   du̯ø̜rsprø̄ ̞ŋk (Zichen-Zussen-Bolder), du̯ǫrsprø̄ŋk (Val-Meer) I-6
doorstaan beervoetigheid:   duǝrstuǝn (Bocholt, ... ), dørstǫu̯ǝn (Lommel), dørstǭn (Venray), dø̄.rstǭ.n (Hasselt), dø̄rstø.n (Berg), dø̜̄i̯ǝrstǭn (Tessenderlo), dōrstǭǝn (Hamont), dōǝ.rstø̜n (Jesseren), dő̜u̯ǝrston (Ulbeek), dǫu̯ǝ.rstōn (Berlingen), lijden:   doorstoon (Maastricht), dōōrstaon (Venlo), dŏĕrstaon (Doenrade) I-9, III-1-4
doorstappen met grote stappen lopen:   doorsjtappe (Roermond) III-1-2
doorsteek binnennaaisteek:   doorsteek (Lommel), voorde, doorwaadbare plaats:   doorsjtaek (Lutterade, ... ), doorsjtéék (Susteren), doorstaek (Guttecoven), doorsteek (Heer, ... ), doorstèk (Sittard), douwrsteek (Jeuk), durchsjtiejək (Epen), durchsteak (Eys), durgsteëk (Heerlerbaan/Kaumer), duursteek (Bree), dùrchstìch (Simpelveld), (overgenomen van Maasland).  dōērstéék (As) II-10, III-4-4
doorsteekpin muurnaald:   dǫwrstēkpen (Bevingen) II-11
doorsteekploeg stoppelploeg:   dō˱rstē̜kplōx (Heythuysen  [(éénscharig)]  ) I-1
doorsteken de kaarten schudden:   de kaorten doorsteken (Achel), de kaorten goeuwt dooersteiken (Achel), doorsteken (Sint-Lambrechts-Herk), dérsti-eken (Sint-Lambrechts-Herk), doorslaan:   doorsteken (Genk), duiven doorsteken:   deu.rstië.ke (Hasselt), doo.rstiëke (Zolder), doo.ërstië.ke (Zonhoven), een duif op een kortere afstand laten vliegen: Opm. v.d. invuller: dit kent men nog hier.  doorgestoke (Houthalen), een opening in de vlechtbundel maken:   dōrstę̄kǝ (Stramproy), een weide scheuren:   dōrštę̄kǝ (Baexem), heizode los- en stukploegen:   dōrštē̜kǝ (Swalmen), inhalen:   dorstiɛ.kǝ (Guigoven), du̯orstē̜.kǝ (Herderen), dørsti.kǝ (Vliermaal), dø̜rstē̜.kǝ (Bilzen), dūǝ.rstē̜.kǝ (Genk), mest afsteken:   duǝrštęǝkǝ (Rijckholt), dø ̞rǝxštē̜.xǝ (Simpelveld), dōrštē̜kǝ (Herkenbosch), dūršte ̝ǝkǝ (Cadier), ondiep ploegen:   dō.rstę̄.kǝ (Kessenich, ... ), dō.rštę̄.kǝ (Boukoul, ... ), dōrstę̄kǝ (Heel, ... ), dōrštę̄kǝ (Beegden, ... ), dūǝ.rstē.kǝ (Elen), dūǝrstīǝkǝ (Maaseik), dǭrštę̄kǝ (Heythuysen), pezen blootleggen:   doorsteken (Beringen), dørstēkǝ (Ottersum), pikeren:   dø̄rstēkǝ (Noorbeek), dōrstēkǝ (Eisden), dōrštikǝ (Schinnen), stoppelland ploegen:   [doorsteken] (Beegden), vademen:   dø̄rstē̜kǝ (Halen) I-1, I-10, I-8, II-1, II-6, II-7, III-3-2