| 25152 |
slecht weer, hondenweer |
het gaat boezen:
⁄t gèjt bŏĕze (L416p Opglabbeek),
miserabelig:
misdrabəlig (L416p Opglabbeek),
mottig:
mòttig (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek),
rot (weer):
ròt (L416p Opglabbeek),
ruw (weer):
("vandaag is t ne rówe").
rów (L416p Opglabbeek),
smerig (weer):
smīērig (L416p Opglabbeek),
vuil:
vuul (L416p Opglabbeek),
vówl (L416p Opglabbeek),
wild weer:
wīlt (L416p Opglabbeek)
|
ruw en regenachtig, gezegd van het weer [lobbig, schouw] [N 81 (1980)] || slecht, gezegd van het weer [skeut, vut] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 19355 |
slechtgehumeurd (zijn) |
konijns:
Ze waas ziêker möt hèèr linkerbein opgestange, zuu kni-jns waas ze
kni-jns (L416p Opglabbeek)
|
lastig, grommelend
III-1-4
|
| 24243 |
slechtvalk |
valk:
valk (L416p Opglabbeek)
|
valk: slechtvalk (40 grote uitgave van boomvalk [083]; alleen op trek en s winters; vangt grote vogels hoog in de lucht; zeldzaam [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 22344 |
slee |
ijsstoel:
einen eestool (L416p Opglabbeek),
einen iestool (L416p Opglabbeek),
Istūl (L416p Opglabbeek)
|
Een slede (waarmee de kinderen op het ijs rijden). [ZND 31 (1939)] || Een voertuig op twee evenwijdige metalen of met metaal beslagen ribben dat glijdend wordt voortbewogen over ijs of sneeuw [slee, slet, nar]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 32811 |
sleepcultivator, veertandeg |
sleper:
slęi̯.pǝr (L416p Opglabbeek)
|
Bedoeld wordt het cultivatortype van afb. 79. Voor (delen van) varianten in de (...)-vorm zij verwezen naar het vorige lemma. In het lemma ''eg'' vindt men ''eg'' en ''eg'' geduid. [JG 1a + 1b; N 11, 78b; N 11A, 150b; N J, 10]
I-2
|
| 34294 |
sleephout |
tuier:
tii̯.ǝr (L416p Opglabbeek),
tii̯ǝr (L416p Opglabbeek)
|
Hout waaraan het tuiertouw of de tuierketting is bevestigd. Door dit slepend stuk hout voorkomt men dat koe of geit verstrikt raken in het touw of de ketting of dat zij bij de tuierpaal komen. [N 3A, 14h; N 14, 73b; JG 1c, 2c; monogr.]
I-11
|
| 34601 |
slekken |
slekken:
slɛkǝ (L416p Opglabbeek
[(enkelv slɛk)]
)
|
Metalen plaatjes of kapjes waarmee men de uiteinden van de berries tegen slijtage beschermt of waarmee men beschadigde berries verstevigt. [N 17, 29 + 99; N G, 59c; JG 1d]
I-13
|
| 17930 |
slenteren |
trengelen:
treŋələ (L416p Opglabbeek),
treuzelen:
trīəzələ (L416p Opglabbeek),
troggelen:
tregələ (L416p Opglabbeek)
|
lopen: slenterend lopen [schaffele, banzele, gengele, schuupe] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 17899 |
slepen |
(het land) gelijkslepen:
gǝlī.kslęi̯.pǝ (L416p Opglabbeek),
slepen:
sleͅipə (L416p Opglabbeek),
slijpə? (L416p Opglabbeek),
slęi̯.pǝ (L416p Opglabbeek)
|
De in dit lemma bijeengebrachte termen betreffen het bewerken van de akker met een sleep, om de grond gelijk te trekken, aardkluiten te verbrijzelen of fijn zaad in de grond te werken, alsmede het slepen van weiland, om mestplakken en molshopen te verbreiden en/of gestrooide mest over de grasmat uit te strijken. Hoe de hieronder voorkomende vormen ''eg'' + ''eg'' en ''eggen'' + ''eggen'' verstaan moeten worden, is aangegeven in de lemmata ''eg'' en ''eggen''. [JG 1a + 1b + 1c; N 11, 81 + 85; N 11A, 173c + 180; S 33; L 6, 66; div.; monogr.] || slepen [ZND A2 (1940sq)] || Slepen: iets zo voorttrekken dat het over of langs iets glijdt (slepen, staarten). [N 84 (1981)]
I-2, III-1-2
|
| 19374 |
sleutel |
sleutel:
slīētəl (L416p Opglabbeek),
slītəl (L416p Opglabbeek),
slîêtəl (L416p Opglabbeek)
|
Een voorwerp dat dient om deuren die op slot zijn, te openen(sleutel, sleuter, smet) [N 79 (1979)] || sleutel [ZND A1 (1940sq)]
III-2-1
|