e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Opglabbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
slecht weer, hondenweer het gaat boezen: ⁄t gèjt bŏĕze (Opglabbeek), miserabelig: misdrabəlig (Opglabbeek), mottig: mòttig (Opglabbeek, ... ), rot (weer): ròt (Opglabbeek), ruw (weer): ("vandaag is t ne rówe").  rów (Opglabbeek), smerig (weer): smīērig (Opglabbeek), vuil: vuul (Opglabbeek), vówl (Opglabbeek), wild weer: wīlt (Opglabbeek) ruw en regenachtig, gezegd van het weer [lobbig, schouw] [N 81 (1980)] || slecht, gezegd van het weer [skeut, vut] [N 81 (1980)] III-4-4
slechtgehumeurd (zijn) konijns: Ze waas ziêker möt hèèr linkerbein opgestange, zuu kni-jns waas ze  kni-jns (Opglabbeek) lastig, grommelend III-1-4
slechtvalk valk: valk (Opglabbeek) valk: slechtvalk (40 grote uitgave van boomvalk [083]; alleen op trek en s winters; vangt grote vogels hoog in de lucht; zeldzaam [N 09 (1961)] III-4-1
slee ijsstoel: einen eestool (Opglabbeek), einen iestool (Opglabbeek), Istūl (Opglabbeek) Een slede (waarmee de kinderen op het ijs rijden). [ZND 31 (1939)] || Een voertuig op twee evenwijdige metalen of met metaal beslagen ribben dat glijdend wordt voortbewogen over ijs of sneeuw [slee, slet, nar]. [N 88 (1982)] III-3-2
sleepcultivator, veertandeg sleper: slęi̯.pǝr (Opglabbeek) Bedoeld wordt het cultivatortype van afb. 79. Voor (delen van) varianten in de (...)-vorm zij verwezen naar het vorige lemma. In het lemma ''eg'' vindt men ''eg'' en ''eg'' geduid. [JG 1a + 1b; N 11, 78b; N 11A, 150b; N J, 10] I-2
sleephout tuier: tii̯.ǝr (Opglabbeek), tii̯ǝr (Opglabbeek) Hout waaraan het tuiertouw of de tuierketting is bevestigd. Door dit slepend stuk hout voorkomt men dat koe of geit verstrikt raken in het touw of de ketting of dat zij bij de tuierpaal komen. [N 3A, 14h; N 14, 73b; JG 1c, 2c; monogr.] I-11
slekken slekken: slɛkǝ (Opglabbeek  [(enkelv slɛk)]  ) Metalen plaatjes of kapjes waarmee men de uiteinden van de berries tegen slijtage beschermt of waarmee men beschadigde berries verstevigt. [N 17, 29 + 99; N G, 59c; JG 1d] I-13
slenteren trengelen: treŋələ (Opglabbeek), treuzelen: trīəzələ (Opglabbeek), troggelen: tregələ (Opglabbeek) lopen: slenterend lopen [schaffele, banzele, gengele, schuupe] [N 10 (1961)] III-1-2
slepen (het land) gelijkslepen: gǝlī.kslęi̯.pǝ (Opglabbeek), slepen: sleͅipə (Opglabbeek), slijpə? (Opglabbeek), slęi̯.pǝ (Opglabbeek) De in dit lemma bijeengebrachte termen betreffen het bewerken van de akker met een sleep, om de grond gelijk te trekken, aardkluiten te verbrijzelen of fijn zaad in de grond te werken, alsmede het slepen van weiland, om mestplakken en molshopen te verbreiden en/of gestrooide mest over de grasmat uit te strijken. Hoe de hieronder voorkomende vormen ''eg'' + ''eg'' en ''eggen'' + ''eggen'' verstaan moeten worden, is aangegeven in de lemmata ''eg'' en ''eggen''. [JG 1a + 1b + 1c; N 11, 81 + 85; N 11A, 173c + 180; S 33; L 6, 66; div.; monogr.] || slepen [ZND A2 (1940sq)] || Slepen: iets zo voorttrekken dat het over of langs iets glijdt (slepen, staarten). [N 84 (1981)] I-2, III-1-2
sleutel sleutel: slīētəl (Opglabbeek), slītəl (Opglabbeek), slîêtəl (Opglabbeek) Een voorwerp dat dient om deuren die op slot zijn, te openen(sleutel, sleuter, smet) [N 79 (1979)] || sleutel [ZND A1 (1940sq)] III-2-1