| 19420 |
sintel |
asse:
Gezifte asch.
gəzēͅvdə assə (L416p Opglabbeek),
sintel:
sintəl (L416p Opglabbeek),
zintele (L416p Opglabbeek),
sinter:
seͅntərə (L416p Opglabbeek)
|
Geheel of halfuitgebrand samengesmolten stuk steenkool (sintel, singel, slak) [N 79 (1979)] || Hoe heet het overblijfsel van verbrande kolen dat nog eens kan branden ? [ZND 42 (1943)] || Hoe heten de aaneengeklonterde stukken as die in de kachel overblijven ? [ZND 42 (1943)]
III-2-1
|
| 22703 |
sinterklaas |
sinterklaas:
sinterklaos (L416p Opglabbeek),
sinterklôs (L416p Opglabbeek)
|
6 december, Sint Nicolaas, Sinterklaas [tsinterkloaës]. [N 96C (1989)]
III-3-2
|
| 21444 |
sjacheraar |
jood:
ps. omgespeld volgens Frings.
jyd (L416p Opglabbeek),
jyt (L416p Opglabbeek),
sjachelaar:
ps. omgespeld volgens Frings.
šaxəlēͅr (L416p Opglabbeek)
|
sjacheraar: Iemand die zich aan minderwaardige handel bezondigt [sjatser, sjacheléér? enz.] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 21581 |
sjacheren |
sjachelen:
ps. omgespeld volgens Frings.
šaxələ (L416p Opglabbeek),
sjacheren:
ps. omgespeld volgens Frings.
šaxərə (L416p Opglabbeek)
|
Sjacheren, op verachtelijke wijze handel drijven [sjacheren, sjachelen, sjatsen?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 33587 |
sjalot |
sjalot:
WBD/WLD
sjàlòt (L416p Opglabbeek),
sjarlot:
šərloͅtə (L416p Opglabbeek)
|
Een sjalot, een soort van kleine ui (sjalot, sjarlot, schaloeneke). [N 82 (1981)] || sjalotten (pl) [Goossens 1b (1960)]
I-7
|
| 21143 |
sjees |
sjees:
šiǝs (L416p Opglabbeek),
sjees (<fr.):
Algemene opmerking bij deze vragenlijst: invuller noteert bij spellingssysteem: WBD-WLD, behalve je = dj.
sjīēs (L416p Opglabbeek)
|
een licht, hoog tweewielig rijtuig met een kap [sjees] [N 90 (1982)] || Licht en hoog tweewielig rijtuigje voor twee personen met een verstelbare kap. Er is geen aparte bok voor de koetsier. De sjees was voor rijke boeren vaak het voertuig waarmee ze onder meer naar de kerk of naar de stad gingen. De sjees is het bekendste tweewielige rijtuig, vandaar dat de benaming "sjees" ook wel vermeld werd als naam voor het tweewielig rijtuig in het algemeen. [N 17, 5; N 101, 1, 3, 4, 8, 15; N G, 51; L 1a-m; L 36, 70; S 18, 30; monogr]
I-13, III-3-1
|
| 18686 |
sjerp |
sjerp:
šerp (L416p Opglabbeek)
|
sjerp, brede sierband met strik, gedragen om het middel of over een schouder [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 33550 |
sla, algemeen |
salade:
slaai (L416p Opglabbeek),
slā.i (L416p Opglabbeek)
|
[Goossens 1b (1960)]sla
I-7
|
| 17870 |
slaan |
slaan:
bond ɛn blāuw gəslāgə (L416p Opglabbeek),
pārs eͅn blaw gəslāgə (L416p Opglabbeek)
|
bont en blauw geslagen [RND] || ze hebben hem paars en blauw geslagen (de echte dialectische uitdrukking opgeven) [ZND 40 (1942)]
III-1-2
|
| 17744 |
slaap |
slaap:
slaop (L416p Opglabbeek),
sloͅp (L416p Opglabbeek)
|
slaap [N 10b (1961)] || Slaap: de behoefte aan volkomen rust van de zintuigen en het bewust zijn (slaap, vaak). [N 84 (1981)]
III-1-1, III-1-2
|