| 18951 |
schurk, smeerlap |
lorejas:
Ki-k ût möt dèè lorejas, want iêrste het wöts, hèèt ¯r dich al in deekskes gedoan
lorejas (L416p Opglabbeek)
|
leegloper, deugniet, schelm
III-1-4
|
| 22824 |
schutter |
schutter:
sjɛtər (L416p Opglabbeek)
|
schutter [RND]
III-3-2
|
| 33373 |
schutting naast de koeienstand |
bred:
brīǝt (L416p Opglabbeek)
|
Om de koeienstand af te scheiden van de gang ernaast is er een schutting, een lage muur of een paal of plank aangebracht. De benamingen kunnen vaak ook van toepassing zijn op de scheiding tussen twee paarden in de paardestal. [N 5A, 38d]
I-6
|
| 19935 |
schuur |
bergschuur:
bɛrǝxšēr (L416p Opglabbeek),
schuur:
šēr (L416p Opglabbeek)
|
Het apart staande of aan de stallen vastgebouwde bedrijfsgebouw, waarin de oogst geborgen wordt, ook dienend om in te dorsen en, vooral bij kleinere boerderijen, ook om landbouwwerktuigen te bergen. De voornaamste gelijkvloerse delen van de schuur zijn de dorsvloer en de tasruimte(n) naast de dorsvloer. Boven de dorsvloer bevindt zich veelal een balkenzolder. Zie afbeelding 12. [N 5A, 66a; JG 1a en 1b; A 11, 4; L 12, 1; S 32 en 50; Wi 15; Gi 2.I, 20; monogr.; add. uit N 5A, 71a en 71c]
I-6
|
| 33432 |
schuurkelder, aardappelkelder |
aardappelenkelder:
ē̜ ̞.rpǝlǝkalǝr (L416p Opglabbeek),
ɛrpǝlǝkalǝr (L416p Opglabbeek)
|
Onder de verhoogde tasruimte naast de dorsvloer kan zich een kelder bevinden die ten dele uitgegraven, ten dele hoger dan de begane grond gelegen is. De kelder wordt gebruikt als bewaarplaats voor aardappelen, bieten en soms granen. Opgenomen zijn ook benamingen voor een kelder elders in de schuur of net buiten de schuur, die toegankelijk is vanuit de schuur. Omdat de aardappelkelder, die vroeger veelal onder de oven was (vergelijk het lemma "ovenkelder", (3.1.7), tegenwoordig ook vaak in de schuur te vinden is (waarbij de benaming niet veranderde), zijn de benamingen voor de aardappelkelder hier ook opgenomen, vooral omdat ze overeenstemmen met die voor de kelder onder de tasruimte. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel (schuur) het lemma "schuur" (3.1.1). [N 5A, 70c en 71d; JG 1a en 1b; monogr.; add. uit N 5A, 25c; N 5, 136]
I-6
|
| 30685 |
schuurpapier |
schuurpapier:
šōrpǝpēr (L416p Opglabbeek)
|
Stevig papier waarop korrels schurend materiaal, bijvoorbeeld gemalen glas, zand, amaril of carborundum zijn aangebracht. Zie ook het lemma ɛschuurpapierɛ in de paragraaf over de vaktaal van de huisschilder in WLD ii.9, pag. 205.' [N 53, 148a; monogr.]
II-12
|
| 33416 |
schuurpoort |
dendeur:
dęndīr (L416p Opglabbeek),
schuurdeur:
šērdīǝ.r (L416p Opglabbeek),
šīrdīr (L416p Opglabbeek)
|
De grote dubbele deur die toegang geeft tot de schuur en de mogelijkheid biedt met de oogstwagens tot op de dorsvloer te rijden. Meervoudige opgaven benoemen de beide poortvleugels. Voor de behandeling van de namen van de poortvleugels en van het sluitwerk van de poort zie de paragraaf over de grote toegangspoort van de boerderij, par. 4.1. Zie ook het lemma "stalpoort, staldeur" (2.1.3) en, voor de benaming dendeurtje, ook het lemma "deurtje in een poortvleugel" (4.1.12). Vergelijk ook de betekeniskaart van poort "schuurpoort" en "hek" in de aflevering over de landerijen (I.8). Zie voor de fonetische documentatie van het woord (poort) het lemma "poort" (4.1.1). Zie ook afbeelding 12 bij het lemma "schuur" (3.1.1). [N 5A, 51a; N 4, 37; JG 1a en 1b; A 10, 7b; Gwn 4, 10; monogr.]
I-6
|
| 19369 |
schuurtje |
bakhuis:
(dicht bij huis)
bàkkis (L416p Opglabbeek),
den:
om te dorsen, lemen vloer
din (L416p Opglabbeek),
overden:
boven din, planken vloer
īēverdin (L416p Opglabbeek),
schop:
sjòp (L416p Opglabbeek),
(verder weg, rondom open: hooi, kar, ploeg).
sjòp (L416p Opglabbeek),
schuur:
(gesloten, nogal groot)
sjēēr (L416p Opglabbeek),
uilicht:
bergplaats van hooi, stro en mutsaarden
ŭŭlicht (L416p Opglabbeek)
|
Een eenvoudig gebouwtje achter het woonhuis dat tot bergplaats van gereedschappen of iets dergelijks dient (kot, schop, schuurtje, stal) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 19063 |
schuw |
schuw:
WBD/WLD
sjūūw (L416p Opglabbeek)
|
Hoe noemt u vreesachtig, schrikachtig, gezegd van dieren (schuw, schouw) [N 83 (1981)]
III-4-2
|
| 34117 |
scrotum |
zak:
zak (L416p Opglabbeek)
|
Teelzak van de stier. [JG 1a, 1b]
I-11
|