e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Opglabbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
schreeuwen kwaken: kwáákə (Opglabbeek), schreeuwen: šrīǝvǝ (Opglabbeek) Het schreeuwen van een varken ten teken van honger of bij het slachten. [N 19, 24; JG 1a, 1b; N 76, 33; monogr.; N 19, Q 111 add.] || luid en doordringend roepen, schreeuwen [kweken, kwaken, keken, schreien, krijten, krijsen] [N 87 (1981)] I-12, III-3-1
schrijven schrijven: schrieven (Opglabbeek) Noem het (dialect)woord voor: het "met een stift, pen, potlood, krijt enz. aanbrengen van letters of cijfers op papier of een ander vlak voorwerp"? [schrijven] [N 102 (1998)] III-3-1
schrijvertje schrijvertje: schrieverke (Opglabbeek) schrijvertje: Hoe noemt u in uw dialect het zilveren torretje dat in groepjes kringelende bewegingen maakt op het wateroppervlak? Het lijf van het insect ligt op het water waardoor de pootjes niet te zien zijn. [N100 (1997)] III-4-2
schrikachtig schouw: šȳu̯ (Opglabbeek), šū (Opglabbeek) Gezegd van schichtige, schuwe paarden, die angst hebben voor plotselinge geluiden en bewegingen. Zij slaan dan eventueel op hol, zodat zij streng aan de lijn gehouden dienen te worden. [JG 1a; N 8, 64j en 64k] I-9
schrobben schrobben: sjròbbe (Opglabbeek) schrobben III-2-1
schrobbezem schrobbezem: šrop˂beͅsəm (Opglabbeek), schrobborstel: sjròbborstel (Opglabbeek), m.  šrop˂boͅrstəl (Opglabbeek) bezem om de vloeren mee te schrobben (boender, schrobbessem, wasser, luiwagen) [N 20 (zj)] || schrobborstel III-2-1
schroeien schrillen: sjrille (Opglabbeek, ... ), smoren: smorre (Opglabbeek), snerken: snörke (Opglabbeek), verbranden: vərbrànnə (Opglabbeek), (= erger)  verbrànne (Opglabbeek), verschrillen: vəršreͅlən (Opglabbeek) Aan de oppervlakte verbranden (blesteren, verbranden, schroeien, zengen, schroken, schoepen) [N 79 (1979)] || bijna verbranden || schroeien || schroeien (zengen) [ZND 08 (1925)] III-2-1
schrokken beestig slokken: beestig sloeke (Opglabbeek), biestig slŏĕkə (Opglabbeek), binnenmoffelen: bénnemóffele (Opglabbeek), ewegleggen: ewèglègge (Opglabbeek), schoffelen: sjóffele (Opglabbeek), slokken: sloeke (Opglabbeek), slŏĕkə (Opglabbeek), vreten: vrééte (Opglabbeek), wolven: zo veel mogelijk bij elkaar krijgen van bijv. geld  wuive (Opglabbeek) gulzig; Hoe noemt U: Snel en onmatig in het verorberen van voedsel of drank; schrokachtig (gulzig, gruizig, vratig, slokachtig) [N 80 (1980)] || schrokken; Hoe noemt U: Gulzig eten (schrokken, slokken, vreten, verschrokken, schoffelen, wolven, zwelgen, worgen, moffelen, buffelen, schransen) [N 80 (1980)] III-2-3
schub vlim: WBD/WLD  vlimmə (Opglabbeek) Hoe noemt u elk van de dunne plaatjes waarmee de huid van een vis geheel of gedeeltelijk is bedekt (schub, schubbe, schelp, schulp) [N 83 (1981)] III-4-2
schuchter bang: ook materiaal znd 21, 36  bang (Opglabbeek), schouw: ook materiaal znd 21, 36  schu (Opglabbeek), verlegen: ook materiaal znd 21, 36  verlègen (Opglabbeek) schuchter (bloode) [ZND 01 (1922)] III-1-4