| 21368 |
schreeuwen |
kwaken:
kwáákə (L416p Opglabbeek),
schreeuwen:
šrīǝvǝ (L416p Opglabbeek)
|
Het schreeuwen van een varken ten teken van honger of bij het slachten. [N 19, 24; JG 1a, 1b; N 76, 33; monogr.; N 19, Q 111 add.] || luid en doordringend roepen, schreeuwen [kweken, kwaken, keken, schreien, krijten, krijsen] [N 87 (1981)]
I-12, III-3-1
|
| 21768 |
schrijven |
schrijven:
schrieven (L416p Opglabbeek)
|
Noem het (dialect)woord voor: het "met een stift, pen, potlood, krijt enz. aanbrengen van letters of cijfers op papier of een ander vlak voorwerp"? [schrijven] [N 102 (1998)]
III-3-1
|
| 24373 |
schrijvertje |
schrijvertje:
schrieverke (L416p Opglabbeek)
|
schrijvertje: Hoe noemt u in uw dialect het zilveren torretje dat in groepjes kringelende bewegingen maakt op het wateroppervlak? Het lijf van het insect ligt op het water waardoor de pootjes niet te zien zijn. [N100 (1997)]
III-4-2
|
| 33816 |
schrikachtig |
schouw:
šȳu̯ (L416p Opglabbeek),
šū (L416p Opglabbeek)
|
Gezegd van schichtige, schuwe paarden, die angst hebben voor plotselinge geluiden en bewegingen. Zij slaan dan eventueel op hol, zodat zij streng aan de lijn gehouden dienen te worden. [JG 1a; N 8, 64j en 64k]
I-9
|
| 19661 |
schrobben |
schrobben:
sjròbbe (L416p Opglabbeek)
|
schrobben
III-2-1
|
| 19536 |
schrobbezem |
schrobbezem:
šrop˂beͅsəm (L416p Opglabbeek),
schrobborstel:
sjròbborstel (L416p Opglabbeek),
m.
šrop˂boͅrstəl (L416p Opglabbeek)
|
bezem om de vloeren mee te schrobben (boender, schrobbessem, wasser, luiwagen) [N 20 (zj)] || schrobborstel
III-2-1
|
| 19411 |
schroeien |
schrillen:
sjrille (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek),
smoren:
smorre (L416p Opglabbeek),
snerken:
snörke (L416p Opglabbeek),
verbranden:
vərbrànnə (L416p Opglabbeek),
(= erger)
verbrànne (L416p Opglabbeek),
verschrillen:
vəršreͅlən (L416p Opglabbeek)
|
Aan de oppervlakte verbranden (blesteren, verbranden, schroeien, zengen, schroken, schoepen) [N 79 (1979)] || bijna verbranden || schroeien || schroeien (zengen) [ZND 08 (1925)]
III-2-1
|
| 20489 |
schrokken |
beestig slokken:
beestig sloeke (L416p Opglabbeek),
biestig slŏĕkə (L416p Opglabbeek),
binnenmoffelen:
bénnemóffele (L416p Opglabbeek),
ewegleggen:
ewèglègge (L416p Opglabbeek),
schoffelen:
sjóffele (L416p Opglabbeek),
slokken:
sloeke (L416p Opglabbeek),
slŏĕkə (L416p Opglabbeek),
vreten:
vrééte (L416p Opglabbeek),
wolven:
zo veel mogelijk bij elkaar krijgen van bijv. geld
wuive (L416p Opglabbeek)
|
gulzig; Hoe noemt U: Snel en onmatig in het verorberen van voedsel of drank; schrokachtig (gulzig, gruizig, vratig, slokachtig) [N 80 (1980)] || schrokken; Hoe noemt U: Gulzig eten (schrokken, slokken, vreten, verschrokken, schoffelen, wolven, zwelgen, worgen, moffelen, buffelen, schransen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 24374 |
schub |
vlim:
WBD/WLD
vlimmə (L416p Opglabbeek)
|
Hoe noemt u elk van de dunne plaatjes waarmee de huid van een vis geheel of gedeeltelijk is bedekt (schub, schubbe, schelp, schulp) [N 83 (1981)]
III-4-2
|
| 18844 |
schuchter |
bang:
ook materiaal znd 21, 36
bang (L416p Opglabbeek),
schouw:
ook materiaal znd 21, 36
schu (L416p Opglabbeek),
verlegen:
ook materiaal znd 21, 36
verlègen (L416p Opglabbeek)
|
schuchter (bloode) [ZND 01 (1922)]
III-1-4
|