| 24847 |
ruisen van bladeren |
snurken:
WBD/WLD
snərkə (L416p Opglabbeek)
|
Het ruisen van bomen (ruisen, ruizelen, reuzelen, snirsen). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 22753 |
ruiten in het kaartspel |
koeken:
kŏkə (L416p Opglabbeek),
ruiten:
rütə (L416p Opglabbeek)
|
Ruiten: Ruiten boer (in het kaartspel). [ZND 42 (1943)]
III-3-2
|
| 17884 |
rukken |
roffen:
rŏfə (L416p Opglabbeek)
|
niet rukken (niet met rukken trekken) [ZND 42 (1943)]
III-1-2
|
| 25148 |
rukwind |
houwmouw:
#NAME?
huimui (L416p Opglabbeek),
stoot:
stūūt (L416p Opglabbeek),
stootwind:
stūūtwénd (L416p Opglabbeek)
|
rukwind, plotselinge, felle wind [trekwind, snuk wind, strobatie] [N 81 (1980)] || windstoot, ruk of stoot van de wind [hort, buis] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 34024 |
rund |
rind:
rɛi̯nt (L416p Opglabbeek)
|
Holhoornig, herkauwend zoogdier dat om zijn vlees en melk en ook wel als trekdier gehouden wordt. [L 6, 22; L 42, 12; S 30; S 49; Wi 6; monogr.]
I-11
|
| 24326 |
runderhorzel, horzel |
horzel:
huursel (L416p Opglabbeek),
wū‧rsəl (L416p Opglabbeek),
koevlieg:
kuvlē‧x (L416p Opglabbeek)
|
horzel || kwaadste insect (geel; slechts in mei, juni) [Goossens 1a (1955)] || paardshorzel, insect dat zijn eitjes legt onder de huid van de koeien [Goossens 1a (1955)]
III-4-2
|
| 24349 |
runderhorzellarve |
angel:
aŋəl (L416p Opglabbeek),
made:
maai (L416p Opglabbeek)
|
worm vdit laatste insect [Goossens 1a (1955)]
III-4-2
|
| 34022 |
rundvee |
beesten:
bīstǝ (L416p Opglabbeek)
|
Als vee gehouden runderen. Rundvee in het algemeen. Zie afbeelding 1. [N 3A, 1; JG 1a, 1b; monogr.]
I-11
|
| 20666 |
rundvleessoep |
rundssoep:
rønsoͅp (L416p Opglabbeek)
|
Soep van rundvlees (rundsolf?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 24371 |
rups |
rups:
ròps (L416p Opglabbeek)
|
rups, vlinderlarve
III-4-2
|