e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Opglabbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
ruisen van bladeren snurken: WBD/WLD  snərkə (Opglabbeek) Het ruisen van bomen (ruisen, ruizelen, reuzelen, snirsen). [N 82 (1981)] III-4-3
ruiten in het kaartspel koeken: kŏkə (Opglabbeek), ruiten: rütə (Opglabbeek) Ruiten: Ruiten boer (in het kaartspel). [ZND 42 (1943)] III-3-2
rukken roffen: rŏfə (Opglabbeek) niet rukken (niet met rukken trekken) [ZND 42 (1943)] III-1-2
rukwind houwmouw: #NAME?  huimui (Opglabbeek), stoot: stūūt (Opglabbeek), stootwind: stūūtwénd (Opglabbeek) rukwind, plotselinge, felle wind [trekwind, snuk wind, strobatie] [N 81 (1980)] || windstoot, ruk of stoot van de wind [hort, buis] [N 81 (1980)] III-4-4
rund rind: rɛi̯nt (Opglabbeek) Holhoornig, herkauwend zoogdier dat om zijn vlees en melk en ook wel als trekdier gehouden wordt. [L 6, 22; L 42, 12; S 30; S 49; Wi 6; monogr.] I-11
runderhorzel, horzel horzel: huursel (Opglabbeek), wū‧rsəl (Opglabbeek), koevlieg: kuvlē‧x (Opglabbeek) horzel || kwaadste insect (geel; slechts in mei, juni) [Goossens 1a (1955)] || paardshorzel, insect dat zijn eitjes legt onder de huid van de koeien [Goossens 1a (1955)] III-4-2
runderhorzellarve angel: aŋəl (Opglabbeek), made: maai (Opglabbeek) worm vdit laatste insect [Goossens 1a (1955)] III-4-2
rundvee beesten: bīstǝ (Opglabbeek) Als vee gehouden runderen. Rundvee in het algemeen. Zie afbeelding 1. [N 3A, 1; JG 1a, 1b; monogr.] I-11
rundvleessoep rundssoep: rønsoͅp (Opglabbeek) Soep van rundvlees (rundsolf?) [N 16 (1962)] III-2-3
rups rups: ròps (Opglabbeek) rups, vlinderlarve III-4-2