e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Opglabbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
roeispaan roeispaan: Algemene opmerking bij deze vragenlijst: invuller noteert bij spellingssysteem: WBD-WLD, behalve je = dj.  rŏĕjspáán (Opglabbeek) het gereedschap om een vaartuig voort te roeien [riem, roeiriem, roeispaan, spaan] [N 90 (1982)] III-3-1
roek kraai: krɛj (Opglabbeek), zaadkraai: zoadkrej (Opglabbeek) roek || roek (46 bekende vogel; zwart met paarsige glans; kale rand boven aan de snavel; broedt in kolonies; leeft in troepen; roep [kao-kao-kao], [waaak] [N 09 (1961)] III-4-1
roep- en lokwoord voor de kip tiet, tiet, tiet: tit, tit, tit (Opglabbeek), tīǝt, tīǝt, tīǝt (Opglabbeek) Naast de verschillende roepwoorden kan men de kippen ook lokken door een zuigend klappend geluid te maken met de tong tegen de tanden (P 176 (Sint-Truiden)) of door te fluiten (Q 2 (Hasselt)). [N 19, 44a; L 47, 9a; A 6, 2b; A 6, 2a; VC 14, 2n -r-; Vld.; L B2, 259a; monogr.] I-12
roep- en lokwoord voor een big kuus, kuus, kuus: kys, kys, kys (Opglabbeek), kyš, kyš, kyš (Opglabbeek) Roep- en lokwoord voor een big. Iets roepen kan ook vervangen worden door een smakkend geluid te maken of door te klakken met de tong. [N 19, 11b; VC 14, 2d r; monogr.] I-12
roep- en lokwoord voor het kuiken tiet, tiet, tiet: tit, tit, tit (Opglabbeek), tsjiep, tsjiep: tšīp, tšīp (Opglabbeek) [N 19, 44b; A 6, 2c; L 47, 9b; VC 12 2o -r-; monogr.] I-12
roep- en lokwoord voor het varken kuus, kuus, kuus: kys, kys, kys (Opglabbeek), kyš, kyš, kyš (Opglabbeek) In plaats van kuus roepen klakt men ook wel met de tong. [N 19, 11a; VC 14, 2c (r] I-12
roep- en lokwoorden voor het lam lammetje: lęmǝkǝ (Opglabbeek), lemmen, lemmen: lęmǝ, lęmǝ (Opglabbeek) [N 19, 74b; VC 14, 2k (R] I-12
roep- en lokwoorden voor het schaap lemmen, lemmen: lęmǝ, lęmǝ (Opglabbeek) [N 19, 74a; VC 14, 2j (R] I-12
roepen roepen: rōpən (Opglabbeek), schreeuwen: sjrīēvə (Opglabbeek) op een luide manier iets mededelen, roepen [skriesen] [N 87 (1981)] || roepen [ZND m] III-3-1
roeper oproeper: ps. omgespeld volgens Frings.  oͅprōpər (Opglabbeek), uitroeper: ps. omgespeld volgens Frings.  y(3)̄trōpər (Opglabbeek) afslager: Hoe heet bij de openbare verkoping van goederen degene die de verkoping leidt [afslager, uitroeper, roeper?] [N 21 (1963)] III-3-1