| 21184 |
roeispaan |
roeispaan:
Algemene opmerking bij deze vragenlijst: invuller noteert bij spellingssysteem: WBD-WLD, behalve je = dj.
rŏĕjspáán (L416p Opglabbeek)
|
het gereedschap om een vaartuig voort te roeien [riem, roeiriem, roeispaan, spaan] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 24235 |
roek |
kraai:
krɛj (L416p Opglabbeek),
zaadkraai:
zoadkrej (L416p Opglabbeek)
|
roek || roek (46 bekende vogel; zwart met paarsige glans; kale rand boven aan de snavel; broedt in kolonies; leeft in troepen; roep [kao-kao-kao], [waaak] [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 34528 |
roep- en lokwoord voor de kip |
tiet, tiet, tiet:
tit, tit, tit (L416p Opglabbeek),
tīǝt, tīǝt, tīǝt (L416p Opglabbeek)
|
Naast de verschillende roepwoorden kan men de kippen ook lokken door een zuigend klappend geluid te maken met de tong tegen de tanden (P 176 (Sint-Truiden)) of door te fluiten (Q 2 (Hasselt)). [N 19, 44a; L 47, 9a; A 6, 2b; A 6, 2a; VC 14, 2n -r-; Vld.; L B2, 259a; monogr.]
I-12
|
| 34379 |
roep- en lokwoord voor een big |
kuus, kuus, kuus:
kys, kys, kys (L416p Opglabbeek),
kyš, kyš, kyš (L416p Opglabbeek)
|
Roep- en lokwoord voor een big. Iets roepen kan ook vervangen worden door een smakkend geluid te maken of door te klakken met de tong. [N 19, 11b; VC 14, 2d r; monogr.]
I-12
|
| 34529 |
roep- en lokwoord voor het kuiken |
tiet, tiet, tiet:
tit, tit, tit (L416p Opglabbeek),
tsjiep, tsjiep:
tšīp, tšīp (L416p Opglabbeek)
|
[N 19, 44b; A 6, 2c; L 47, 9b; VC 12 2o -r-; monogr.]
I-12
|
| 34377 |
roep- en lokwoord voor het varken |
kuus, kuus, kuus:
kys, kys, kys (L416p Opglabbeek),
kyš, kyš, kyš (L416p Opglabbeek)
|
In plaats van kuus roepen klakt men ook wel met de tong. [N 19, 11a; VC 14, 2c (r]
I-12
|
| 34442 |
roep- en lokwoorden voor het lam |
lammetje:
lęmǝkǝ (L416p Opglabbeek),
lemmen, lemmen:
lęmǝ, lęmǝ (L416p Opglabbeek)
|
[N 19, 74b; VC 14, 2k (R]
I-12
|
| 34441 |
roep- en lokwoorden voor het schaap |
lemmen, lemmen:
lęmǝ, lęmǝ (L416p Opglabbeek)
|
[N 19, 74a; VC 14, 2j (R]
I-12
|
| 21362 |
roepen |
roepen:
rōpən (L416p Opglabbeek),
schreeuwen:
sjrīēvə (L416p Opglabbeek)
|
op een luide manier iets mededelen, roepen [skriesen] [N 87 (1981)] || roepen [ZND m]
III-3-1
|
| 21652 |
roeper |
oproeper:
ps. omgespeld volgens Frings.
oͅprōpər (L416p Opglabbeek),
uitroeper:
ps. omgespeld volgens Frings.
y(3)̄trōpər (L416p Opglabbeek)
|
afslager: Hoe heet bij de openbare verkoping van goederen degene die de verkoping leidt [afslager, uitroeper, roeper?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|