| 27960 |
ringbouwwerk |
ringondersteuning:
reŋkbō.wwɛrk (Q117a Waubach
[(Laura / Julia)]
[Oranje-Nassau I, Oranje-Nassau III, Oranje-Nassau IV])
II-5
|
|
| 22762 |
ringdoppen |
met een priktol spelen in een cirkel:
de priktol wordt in een ring draaiend neer geworpen; indien hij niet buiten loopt vinden de medespelers er genoegen in dezen priktol eenige stukken af te kappen. Geraakt de priktol meer uit den ring, zoomag de eigenaar opnieuw verderspelen.
ringdoppen (P057p Kuringen),
Men maakt een ring van 1 a 1,50 meter doorsnede. Daarna bevind ieder zijn tol, werpt hem in den ring en moet hem laten draaien tot het einde. Loopt de priktol uit den ring dan mag men herbeginnen, doch blijft hij in den cirkel, dan moet men hem laten liggen, tot hij er uit geslagen wordt. Zoodra er eene in den ring ligt, zijn de medespleres dadelijk gereed om er met den hunnen op te kappen. (Niet) zelden komt de tol geheel gehavend en zelfs in stukken uit het strijdperk.
ringdoppen (L319p Molenbeersel),
priktol wordt in midden van kring geplaatst en anderen kappen er op al doppend totdat de geplaatste dop uit cirkel vliegt. Wiens bol daarbij blijft liggen in den kring wordt prooi van de verdere aanvallen.
ringdobbe (L414p Houthalen)
III-3-2
|
|
| 22359 |
ringdrijven |
hoepelen:
(Hees)
rink drieve (Q094p Hees)
III-3-2
|
|
| 22183 |
ringduif |
houtduif:
rangdoef (Q015p Stein),
rijnkdoef (Q033p Oirsbeek),
ringduif (L424p Meeswijk),
Een ringduif heeft ene ring om den nek.
rèŋduf (L424p Meeswijk),
Frings
reͅŋkdoͅu̯f (Q071p Diepenbeek),
IPA, omgesp.
reŋkduf (Q012p Rekem),
IPA; omgesp.
reiŋkduf (L424p Meeswijk),
omdat ze een witte ring van veren om de hals heeft
rĕinkdoef (Q033p Oirsbeek),
tortelduif:
ringdoef (L191p Afferden)
III-3-2, III-4-1
|
|
| 22024 |
ringduifje |
holenduif:
réngk duufke (Q255p Kelmis)
III-4-1
|
|
| 22358 |
ringel |
hoepel:
ringel (Q195p Sint-Geertruid, ...
Q278p Welkenraedt),
rinkel (Q086p Eigenbilzen)
III-3-2
|
|
| 32786 |
ringel[eg] |
andere eggen:
reŋǝl[eg] (L248p Lottum)
I-2
|
|
| 33523 |
ringelen |
draden of randen van peulvruchten:
reͅŋələn (L414p Houthalen),
hoepelen:
`reŋələ (Q251p Gemmenich),
ringele (Q259p Lontzen, ...
Q259p Lontzen,
Q197a Terlinden,
Q278p Welkenraedt),
rinkelen (Q086p Eigenbilzen),
kiskassen:
niet zeker?
reiŋkele (L416p Opglabbeek),
ravotten:
riengele (Q121p Kerkrade, ...
Q117a Waubach),
ringele (Q202p Eys),
slepen:
reŋǝlǝ (Q211p Bocholtz),
sorteren met de machine:
ringelen (Q121p Kerkrade),
worstelen:
riengele (Q121p Kerkrade),
riengele, ziech (Q121p Kerkrade),
ringele (Q032p Schinnen)
I-2, I-5, I-7, III-3-2
|
|
| 24449 |
ringeliesje |
ringrups:
ringel lièke (L378p Stevensweert)
III-4-2
|
|
| 24234 |
ringelklut |
ringmus:
ringelklöt (L164p Gennep, ...
L165p Heijen,
L163a Milsbeek,
L163p Ottersum,
L163b Ven-Zelderheide)
III-4-1
|
|