| 27379 |
landhak |
hak:
lantjhak (L318b Tungelroy),
laŋkhak (L270p Tegelen),
lānthak (L192b Aijen, ...
L159a Middelaar,
L115p Mook,
L163p Ottersum),
hak om de voor af te hakken:
lãnthak (L192b Aijen, ...
L115p Mook,
L163p Ottersum),
mesthak:
lãnthák (L216p Oirlo)
I-1, I-5
|
|
| 33310 |
landhark |
hark, algemeen:
lanthɛrǝk (L268p Velden),
naoogstrijf:
lanthɛrǝk (L268p Velden)
I-4, I-5
|
|
| 33329 |
landheer |
heerboer:
lānthīr (Q095p Maastricht)
I-6
|
|
| 19367 |
landhuis |
buitenverblijf:
la.njthū.s (Q020p Sittard),
la.nthū.s (L368p Neeroeteren),
la.ntjhū.s (L318b Tungelroy),
landhoes (Q113p Heerlen, ...
Q111p Klimmen,
Q118p Schaesberg,
Q098p Schimmert,
L386p Vlodrop),
landhoës (L269b Boekend),
landhōē.s (Q117a Waubach),
landhōēs (Q111p Klimmen, ...
Q098p Schimmert,
Q098p Schimmert),
landhuis (L427p Obbicht),
landhôes (L269p Blerick),
landhûs (L360p Bree),
landjhoes (L299p Reuver, ...
L318b Tungelroy),
lanjdhoes (L426p Buchten),
lantjhoeës (L330p Herten (bij Roermond)),
lààndhŭŭs (L217p Meerlo),
lààndhüs (L245b Tienray),
lândhuûs (L216p Oirlo)
III-2-1
|
|
| 33320 |
landhuur |
pacht, vruchtgebruik:
lanthȳr (K353p Tessenderlo)
I-6
|
|
| 17672 |
landingsgestel |
benen (spotnamen):
i.e. zijn benen intrekke.
zien landingsgestèl intrekke (L324a Leveroy)
III-1-1
|
|
| 33645 |
landje |
akker:
lē̜ntšǝ (Q162p Tongeren),
lɛntjǝ (L318p Stramproy),
land:
leͅntšə (P176p Sint-Truiden),
stuk grond:
landje (Q039p Hoensbroek)
I-8, III-3-1
|
|
| 23151 |
landje gooien |
landjeveroveren:
lèèndsje goie(landje piek) (Q077p Hoeselt),
I, II, III (zeldz.).
lêendsjëgóië (Q162p Tongeren),
Kinderspel waarbij iedere deelnemer éénzelfde rechthoek met een mes op de grond trekt. Met het mes gooit men in het land van de andere en snijdt er een deel van af zodat men dan dat verworven deel bij het zijne mag voegen.
lèèndjsëgoië (Q077p Hoeselt),
Op een stuk verharde grond wordt een rechthoek getrokken van ongeveer 3 op 2 meter. Dit kamp wordt netjes in twee verdeeld, A en B. Spelers A en B gaan elk in hun eigen vak staan. Na het traditionele afpassen = ôoftrêen, mag de winnaar beginnen. Hij werpt met zijn mes in het stuk van de tegenstrever. Als het mes blijft steken mag de lijn doorgetrokken worden volgens de richting dat het mes in de grond steekt. Zijn terrein vergroot nu en de overtollige lijn wordt met de voet uitgeveegd. Als echter zijn mes tijdens de worp een steen raakt en niet in de grond blijft steken is zijn beurt voorbij. Men mag zolang verder doen en alzo zijn terrein uitbreiden als het mes bij worp in de grond blijft steken. De verliezer is hij die niet meer met beide voeten op zijn grondgebied kan staan.
lèèndsjë goië (Q077p Hoeselt)
III-3-2
|
|
| 23151 |
landje kappen |
landjeveroveren:
lêndsje kappe (Q071p Diepenbeek),
Kinderspel waarbij iedere deelnemer éénzelfde rechthoek met een mes op de grond trekt. Met het mes gooit men in het land van de andere en snijdt er een deel van af zodat men dan dat verworven deel bij het zijne mag voegen.
lèèndjsë kappë (Q077p Hoeselt),
Sub kappe: Het mes of de kniep werd beurtelings in n stuk grond geworpen van n paar vierkante meter, de snijlijn van het mes werd over heel het perceel doorgetrokken en de tegenpartij mocht n deel kiezen: wie als eerste zonder land was, had verloren (wanneer hij er zijn voet niet meer in kon plaatsen).
lêndsje kappe (Q074p Kortessem),
Sub kàppe, (1).
lèèntsje kàppe (P176p Sint-Truiden),
Twee jongens verdelen n afgetekend stuk grond van ongeveer 1 vierkante meter middendoor en werpen beurtelings met een dolkmes terwijl zij mete minstens één voet op hun grond moeten staan. De snede van het mes wordt doorgetrokken, zodat het veld in twee verdeeld wordt. Waa e stùk kis dje?: De eigenaar van het stuk waarin het mes gegooid is mag kiezen welk stuk hij wenst te behouden, het andere stuk wordt bij dit van de messenwerper gevoegd. Zo volgen de beurten elkaar op tot een van de spelers niet meer met de voet in zijn perceel kan staan en verloren heeft.
lêndsje kappe (Q074p Kortessem)
III-3-2
|
|
| 23151 |
landje steken |
landjeveroveren:
Ook metskesjtaeke genoemd.
lendjesjtaeke (L331p Swalmen),
Vgl. pag. 426 sub sjtaeke: lendje sjtaeke (zie landj).
lendje sjtaeke (L331p Swalmen)
III-3-2
|
|