e-WLD trefwoorden 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 140309
TrefwoordBegrip: dialectopgave (plaats)Toelichting
brasmouwen overmouwen:   brasmǫu̯ǝ (Boshoven) I-4
brassem brasem:   brasəm (Maastricht), bressem (Blitterswijck, ... ), brjessem (Stein), bréssem (Gennep, ... ), cassettebandje  bressem (Meijel), eigen spellingsysteem  bressem (Meerlo), oude spelling  de bressum (Meijel), Veldeke 1979 nr. 1  d’n brassem (Venray), Veldeke (aangepast)  bressem (Tienray), WBD  bréssəm (Meijel), WBD/WLD  brasəm (Maastricht), brĭĕjəsəm (Susteren), WBD/WLD ?  brĭĕsəm (Maastricht), WLD  bressum (Venray), brĭĕesöm (Stevensweert), brĭĕsem (Steyl), brèssem (Gennep), brìĕjəsum (Reuver) III-4-2
brassen brassen:   bràssə (Heerlen), knoeien:   brasse (Neeritter, ... ), bratze (Panningen), knoeien, morsen, bevuilen:   brasse (Neeritter), bratze (Panningen), morsen:   brasse (Meijel, ... ), brassen (Ospel), knooien en brassen hou ig nie van (Peer), B.v. Gi hed-ob-oauw boks gebraast.  brassen (Hamont), plassen (met water):   brasse (Ittervoort, ... ), brasən (Achel, ... ), verkwisten:   brassə (Meijel), woest, wild rijden:   brassen (Gulpen) III-1-2, III-2-3, III-3-1, III-4-4
brassiretje (<fr.) borstrok:   brasjèèrke (Sint-Truiden), kinderhemd:   brasje.rkə (Gingelom), Fr., kinderhemdje met doek zowel voor jongens als meisjes. Van Dale (FN): brassière babytruitje.  brazièrke (Riemst) III-1-3
brastramp laars tot of boven de knie: [sic]  bruastrāmp (Opheers) III-1-3
brats aardappelpuree:   brats (Blerick), knikkerkuiltje: Grote holte.  braatsch (Meerssen), krentenbaard:   braatsch (Beek), roof(je) (korst op een wonde): Grote roof.  bra.tš (Stokkem), Vooral in en - bloot: een korst van geronnen bloed in het haar.  ən brâ:tš (Rekem), WNT: brat (II), Dartel, levendig, vurig, maar daardoor ook lastig, wild, onhandelbaar.  braatjsch (Urmond), braatsj (Boorsem), broatsj (Grevenbicht/Papenhoven), Zie ook: ráof.  bráotsj (Herten (bij Roermond)), vlekziekte:   brā.tš (Lanklaar), brātšǝ (Neerharen), waterige kost:   brétsj (Gruitrode), zedelijk slecht meisje: straatloopster; cf. VD s.v. "I. brat"2. vuile rommel (gew.)  brats (Zolder) I-12, III-1-2, III-2-2, III-2-3, III-3-2
bratsel modder, slijk: dunne modder  de weeg ligt vol bratsel (Hechtel), waterige kost:   bratsel (Opglabbeek), bràtsəl (Opglabbeek), wisselvallig weer:   bràtsəl (Opglabbeek) III-2-3, III-4-4
bratselaartje bessenlikeur: Een likeur van 19 graden en op basis van bosbessen en honing  Bratselèèrke (As, ... ) III-2-3
bratselen aanhoudend regenen:   bradselen (Eksel), bràtsələ (Opglabbeek), bratsele  bràtsələ (Peer), knoeien, morsen, bevuilen:   bratsele (As, ... ), met tussenpozen regenen:   bràtsele (As, ... ), bràtsələn (Lommel), morsen:   bradzele (Kinrooi), bratsel (Bree), bratsele (Beverlo, ... ), bratselen (Eksel, ... ), brats’le (Kaulille), bratzele (Neer), plassen (met water):   bratsələ (Opglabbeek), bratsələn (Houthalen), mit water bratsele (Nunhem), (brassen)  bradzele (Thorn), i.e. knoeien met water (*in het water plassen).  bradzele (Heel), regenen (alg.):   bratsələ (Bree) III-1-2, III-4-4
bratselmolen aardappelmolen:   bradzǝlmø̄lǝ (Ophoven) I-11