| 21581 |
sjacheren |
sjachelen:
sjachele (L270p Tegelen),
sjacheren:
sjachere (L270p Tegelen)
|
Sjacheren, op verachtelijke wijze handel drijven [sjacheren, sjachelen, sjatsen?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 21143 |
sjees |
sjees:
šiǝs (L270p Tegelen),
sjeesje:
šiǝskǝ (L270p Tegelen)
|
Licht en hoog tweewielig rijtuigje voor twee personen met een verstelbare kap. Er is geen aparte bok voor de koetsier. De sjees was voor rijke boeren vaak het voertuig waarmee ze onder meer naar de kerk of naar de stad gingen. De sjees is het bekendste tweewielige rijtuig, vandaar dat de benaming "sjees" ook wel vermeld werd als naam voor het tweewielig rijtuig in het algemeen. [N 17, 5; N 101, 1, 3, 4, 8, 15; N G, 51; L 1a-m; L 36, 70; S 18, 30; monogr]
I-13
|
| 18686 |
sjerp |
sjerp:
sjerp (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen)
|
sjerp, brede sierband met strik, gedragen om het middel of over een schouder [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 17870 |
slaan |
houwen:
(gehŏŭwd) (L270p Tegelen),
(houwe) (L270p Tegelen),
hou dich ŭm dīn ōərĕ (L270p Tegelen),
houw dig ĕŭm de ōēre (L270p Tegelen),
slaan:
boŋgəmblòu gəsjlāgə (L270p Tegelen),
sloan (L270p Tegelen),
slōān (L270p Tegelen),
šloan (L270p Tegelen),
ṣlo:n dieͅ øm di:n u:rə (L270p Tegelen)
|
bont en blauw geslagen [RND] || ik sla je (met de potlepel) om je oren [DC 03 (1934)] || slaan [DC 02 (1932)]
III-1-2
|
| 33028 |
slaan met de zicht |
slag:
šlāx (L270p Tegelen)
|
De slaande beweging maken met de zicht. Zeer vaak werd voor deze vraag dezelfde opgave gegeven als voor de algemene vraag "maaien met de zicht". Hier zijn alleen de opgaven opgenomen die niet identiek zijn met de vragen "inkappen" of algemeen "maaien met de zicht". Zie ook de toelichting bij het vorige lemma ''maaien met de zicht'' (4.2.1). [N 15, 16f; monogr.]
I-4
|
| 24818 |
slaapbol |
papaver:
papaver (L270p Tegelen)
|
Papaver somniferum L. [DC 48 (1973)]
III-4-3
|
| 18596 |
slaapmuts |
slaapmuts:
sjlaopmuts (L270p Tegelen)
|
slaapmuts [pietermöts [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 33390 |
slaapplaats van de knecht bij het vee |
knechtekamer:
knɛxtǝkāmǝr (L270p Tegelen)
|
De ruimte in de paarde- of, zij het minder gebruikelijk, koestal waar de knecht slaapt. Een aantal benamingen betreffen meer het bed van de knecht dan de ruimte waar dat bed staat. Enkele benamingen verwijzen naar een hoger gelegen ruimte of naar de zolder boven de paarde- of koestal waar de knecht dan slaapt. [N 5A, 13b, 34e, en 59f; A 7, 32; R 3, 59; monogr.]
I-6
|
| 20303 |
slabbetje, spuugdoekje |
slabbertje:
(nu)
sjlabbertje (L270p Tegelen),
spijdoekje:
sjpij-j dukske (L270p Tegelen),
zeverlapje:
(verouderd)
zeiverlepke (L270p Tegelen)
|
doek, witte ~ die men het kind als een schortje voor de borst speldt [speet, spit] [N 25 (1964)] || slabje, morsdoekje voor kinderen [slabbertje, slabberlepke, zeiverlepke, slepke, bavet(sje) [N 25 (1964)]
III-2-2
|
| 25419 |
slachtbijl |
hakmes:
hakmɛts (L270p Tegelen)
|
Een bijl die gebruikt wordt voor het verwijderen van de runderhorens, runderkop, runderhoeven en runderpoten. Voor de mes-opgaven wat betreft het voorwerp waarmee men voornoemde handelingen verricht, zie men het lemma ''mes''. Zie afb. 9. [N 28, 43; N 28, 45; N 28, 47; N 28, 49; monogr.]
II-1
|