| 29731 |
ruwe stenen |
zonnebakken stenen:
zonǝbakǝ št ̇ɛjn (L270p Tegelen)
|
In de zon gedroogde, maar nog niet gebakken stenen. In de zon gedroogde stenen werden soms gebruikt voor binnenmuren. Voorwaarde was dat ze niet met water in aanraking kwamen. Volgens de invuller uit Q 83 waren de stenen voldoende gedroogd, wanneer zij wit uitsloegen. Men zei dan: de stenen zijn wit (d\ stēn zen wet). [N 30, 53c; N 98, 107; N 98, 164; monogr.; S 37 add.; N 31, 14 add.]
II-8
|
| 21081 |
sabbelen |
sabbelen:
sabbele (L270p Tegelen),
zabbele (L270p Tegelen),
zoebelen:
zoebele (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
zuigen:
zuuge (L270p Tegelen)
|
sabbelen, bijv. op een grassprietje [sebbele, zabbere, zeewere] [N 10 (1961)]
III-2-3
|
| 23423 |
sacramentsaltaar |
sacramentsaltaar:
sacramentsaltaor (L270p Tegelen),
sakrementsaltaor (L270p Tegelen)
|
Het sacramentsaltaar (in grote kerken), een afzonderlijk altaar waarop zich het tabernakel met de H. Hosties bevindt. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 23812 |
sacramentsdag |
sacramentsdag:
sacramentsdaag (L270p Tegelen)
|
Donderdag na de eerste zondag na Pinksteren, Sacramentsdag [papkêrremes, Vroonlaichnaam]. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 23425 |
sacramentshuisje |
groot tabernakel (<lat.):
et groeet tabernakel (L270p Tegelen),
groeet tabernakel (L270p Tegelen)
|
De brandkast, kluis of safe, waarin de heilige vaten bewaard worden. [N 96A (1989)] || Het sacramentshuisje, een vrijstaande of in de muur uitgespaarde kast waarin de geconsacreerde Hosties bewaard worden. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 23288 |
sacramentsprocessie |
grote processie (<lat.):
groeëte processie (L270p Tegelen)
|
De processie die op Sacramentsdag wordt gehouden: Sacramentsprocessie, grote processie. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 23321 |
sacristie |
sacristie:
sacristie (L270p Tegelen),
sakkrestie (L270p Tegelen),
sakristie (L270p Tegelen)
|
Het tegen de kerk aangebouwde vertrek of gebouwtje, waar de priester en de dienaren zich voor de dienst gereedmaken [gerfkamer, sakristij, sacristie?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 24372 |
salamander |
salamander:
saaləmandər (L270p Tegelen),
salamander (L270p Tegelen)
|
salamander [DC 07 (1939)]
III-4-2
|
| 23642 |
sanctus |
sanctus (lat.):
sanctus (L270p Tegelen)
|
Het (vaste) misgezang dat op de prefatie volgt, het sanctus. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 18294 |
sandaal |
sandaal:
sandaal (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
sendaal (L270p Tegelen)
|
sandaal [N 24 (1964)]
III-1-3
|