| 34529 |
roep- en lokwoord voor het kuiken |
piet, piet, piet:
pit, pit, pit (L270p Tegelen),
tiet, tiet, tiet:
tit, tit, tit (L270p Tegelen),
tjiep, tjiep:
tjip, tjip (L270p Tegelen)
|
[N 19, 44b; A 6, 2c; L 47, 9b; VC 12 2o -r-; monogr.]
I-12
|
| 34377 |
roep- en lokwoord voor het varken |
kuus, kuus, kuus:
kus, kus, kus (L270p Tegelen)
|
In plaats van kuus roepen klakt men ook wel met de tong. [N 19, 11a; VC 14, 2c (r]
I-12
|
| 34442 |
roep- en lokwoorden voor het lam |
lammetje:
lɛmkǝ (L270p Tegelen),
lem, lem, lem:
lɛm, lɛm, lɛm (L270p Tegelen)
|
[N 19, 74b; VC 14, 2k (R]
I-12
|
| 34441 |
roep- en lokwoorden voor het schaap |
lem, lem, lem:
lɛm, lɛm, lɛm (L270p Tegelen)
|
[N 19, 74a; VC 14, 2j (R]
I-12
|
| 21362 |
roepen |
roepen:
roope (L270p Tegelen)
|
roepen (geen context) [DC 38 (1964)]
III-3-1
|
| 33841 |
roepen van de hengst naar de aankomende merrie |
schuifelen:
šȳfǝlǝ (L270p Tegelen)
|
Bij het naderen van de hengst joechelt (juicht) de merrie naar de hengst, die deze roep op zijn beurt beantwoordt met onder meer te rauwen, hummelen, joechelen e.d. In dit lemma zijn ook de enkele antwoorden uit vraag N 8A, 1c (zachtjes hinniken van de merrie tegen het veulen) ondergebracht, omdat zij enkel in dit kader passen; de gestelde vraag leverde geen enkele specifieke term op. [N 8, 47; N 8A, 1b en 1c]
I-9
|
| 21652 |
roeper |
uitroeper:
oetreuper (L270p Tegelen),
Opm. de in Nederland en Midden Limburg algemeen gebruikelijke jaarlijkse betaaldag was 30 november. In de volksmond: "mèt Sinten Drees".
oetreuper (L270p Tegelen)
|
afslager: Hoe heet bij de openbare verkoping van goederen degene die de verkoping leidt [afslager, uitroeper, roeper?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 24034 |
roeping |
roeping:
roeping (L270p Tegelen)
|
Roeping. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 34531 |
roepwoord om de klokhen te lokken |
kloek, kloek, kloek:
kluk, kluk, kluk (L270p Tegelen),
klūk, klūk, klūk (L270p Tegelen)
|
[N 19, 44c; A 6, 2c]
I-12
|
| 34460 |
roepwoord voor de geit |
lem, lem, lem:
lɛm, lɛm, lɛm (L270p Tegelen),
met:
mɛt (L270p Tegelen),
met, met:
mɛt, mɛt (L270p Tegelen)
|
[N 19, 74e; VC 14, 2l r; L B2, 259e -263-; monogr.; N C, Q 111 add.]
I-12
|