| 19433 |
ramen lappen |
ruiten wassen:
rūtə wasə (L270p Tegelen),
rūətə wasə (L270p Tegelen)
|
ramen zemen [DC 15 (1947)]
III-2-1
|
| 29986 |
ramen van een hangende steiger |
schrankhoeken:
šraŋkhø̄k (L270p Tegelen)
|
De winkelhaakvormige ramen waarmee een hangende steiger wordt gevormd. Zie ook Van Keirsbilck II, pag. 224 s.v. 'Paard', 'peerd': ø̄Een kloek winkelhaakvormig raam, dat met een haak of met koorden langs den muur gevestigd is, in uitspringende richting gelijk eene console en dient, bij een hangende steiger, om den planken vloer te dragen.ø̄ [N 32, 8b]
II-9
|
| 19977 |
rammelaar |
rammel:
rem’mel (L270p Tegelen),
rekel:
rèkĕl (L270p Tegelen)
|
konijn, mannetje [DC 04 (1936)] || konijn, mannetje: rammelaar
III-2-1
|
| 34631 |
rammelkar |
kloterkar:
klōtǝrkęr (L270p Tegelen)
|
Kar die veel lawaai maakt. [N 17, 92]
I-13
|
| 32680 |
ramskop |
kettinghaak:
kęteŋhǭk (L270p Tegelen),
kettinghaken:
kęteŋhøę̄k (L270p Tegelen)
|
De tweelinghaak aan de voorploeg, waaraan de grindelketting bevestigd is. [N 11, 31.II.o; N 11A, 139d]
I-1
|
| 18413 |
rand van een hoed |
luif:
luif (L270p Tegelen)
|
luifel, overstekende rand van een hoed [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 33827 |
rank paard |
(een) luxe:
lyks (L270p Tegelen)
|
Gezegd van een slank, snel paard, dat vaak als rijdier wordt gehouden. [JG 1a; N 8, 20 en 62l]
I-9
|
| 33580 |
ranken van de wingerd |
rank:
rengske (L270p Tegelen)
|
I-7
|
| 20515 |
ranzig |
garst:
gers (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
garstig:
ger’stig (L270p Tegelen),
ranzig:
ranzig (L270p Tegelen)
|
rans || ranzig van bijv. spek || ranzig, bijv. van spek || ranzig; Hoe noemt U: Sterk smakend, onaangenaam ruikend gezegd van spek (ranzig, garstig) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 33207 |
rapen |
rapen:
rāpǝ (L270p Tegelen)
|
De aardappelen oprapen en in een mand bijeen doen, achter de rooiers of achter de rooiende ploeg aanlopend. [N 12, 21; JG 1a, 1b; monogr.; add. uit N 12, 18; A 23, 17d; Lu 1, 17d]
I-5
|