| 23971 |
onzedig |
onzedig:
onzedig (L270p Tegelen)
|
Onzedig, onzedigheid. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 23647 |
onzevader |
onzevader:
onze vader (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
Het door de priester gezongen Pater Noster, het Onze Vader. [N 96B (1989)] || Het gebed "Onze Vader", "Pater noster"[Vadder-óns, Vadder-ónzer, noster]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23720 |
onzevaderkralen |
grote kralen:
groeete kralle (L270p Tegelen)
|
De Onze-Vaderkralen (6 stuks). [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 20736 |
ooftvlaai |
appelenvlaai:
Syst. Veldeke Van gedruegde appele
appeleflaai (L270p Tegelen),
Syst. WBD
appelevlaaj (L270p Tegelen)
|
Vla met moes van gedroogde appelen (euftevlaoj, zwarte vla?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 17592 |
oog |
oog:
ougə (L270p Tegelen)
|
ogen [RND]
III-1-1
|
| 28875 |
oog van de naald |
oog:
ǫwx (L270p Tegelen)
|
De opening van de naald waardoorheen men de draad steekt. [N 59, 11b; Gi 1.IV, 13b; monogr.]
II-7
|
| 33935 |
oogkleppen |
scheellappen:
šē̜llapǝ (L270p Tegelen),
scheerlappen:
šē̜rlapǝ (L270p Tegelen)
|
Nagenoeg vierkante leren kleppen die ter hoogte van de ogen aan het hoofdstel vastgemaakt zijn. De oogkleppen dwingen het paard altijd voor zich uit te kijken, en voorkomen zo dat het naast zich iets zou bemerken dat het doet schrikken. [JG 1a, 1b, 1c, 2b, 2c; N 13, 28; monogr.]
I-10
|
| 17595 |
ooglid |
deksel:
dêksel (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
oogdeksel:
augdèksel (L270p Tegelen),
ougdeksel (L270p Tegelen),
ooglid:
(ouglid) (L270p Tegelen),
auglid (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen)
|
oog: ooglid [N 10a (1961)] || Ooglid - Als men de ogen sluit, gaat er iets dat men een klepje zou kunnen noemen, over het oog heen. Hoe noemt men dit klepje? [DC 39 (1965)]
III-1-1
|
| 17754 |
ooglid: bovenste ooglid |
bovenlid:
baovelid (L270p Tegelen)
|
Ooglid - Als men de ogen sluit, gaat er iets dat men een klepje zou kunnen noemen, over het oog heen. Hoe noemt men dit klepje? [DC 39 (1965)]
III-1-1
|
| 17798 |
ooglid: onderste ooglid |
onderlid:
ôngerlid (L270p Tegelen),
onderste lid:
ungerste lid (L270p Tegelen)
|
Ooglid - Hoe noemt men het andere klepje, aan de onderzijde van het oog? [DC 39 (1965)]
III-1-1
|