| 33066 |
muilband, bovenste band van de schoof |
kopband:
kǫp˱[band] (L270p Tegelen),
kruisband:
krȳts[band] (L270p Tegelen)
|
Zie de toelichting bij het lemma ''garveband'' (4.6.9). Zie voor de fonetische documentatie van het woord(deel) band het lemma ''garveband'' (4.6.9). [N 15, 22b; monogr.; add. uit JG 1b]
I-4
|
| 34223 |
muilkorf voor kalveren |
kalvermandje:
kalvǝrmɛntjǝ (L270p Tegelen)
|
De muilkorf voor kalveren die geen hooi mogen vreten. [N 3A, 14e]
I-11
|
| 18308 |
muiltje |
slipper:
sjlippers (L270p Tegelen),
šlippers (L270p Tegelen),
slof:
sjloffe (L270p Tegelen),
šlūfə (L270p Tegelen),
oe=stoottoon
sjloef (L270p Tegelen)
|
Hoe noemt men de muilen? [DC 09 (1940)] || Muiltje. Thuis dragen veel mensen in plaats van schoenen pantoffels of muilen. De eerste hebben wel, de andere geen opstaande achterkant. Hoe noemt men die zonder achterkant? [DC 44 (1969)] || muiltjes, pantoffels zonder hielstuk [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 24357 |
muis |
muis:
mōēs (L270p Tegelen),
móes (L270p Tegelen)
|
muis [DC 35 (1963)]
III-4-2
|
| 17663 |
muis van de hand |
muis:
moe.s (L270p Tegelen),
moes (L270p Tegelen),
mōēs (L270p Tegelen),
môês (L270p Tegelen),
muisje:
muuske (L270p Tegelen)
|
muis van de hand (het onderste, vlezige deel van de duim) [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 20774 |
muisjes |
muizenkeuteltjes:
moe’zekeutelkes (L270p Tegelen),
suikerkeurtjes:
sôk’kerkäor’kes (L270p Tegelen)
|
muisjes, beschuitbeleg || muisjes: boterhambeleg of beschuitbeleg
III-2-3
|
| 33687 |
mulle grond |
mulle grond:
mø̜lǝ groŋk (L270p Tegelen)
|
Droge losse grond, zonder kluiten. [N 27, 37a; monogr.]
I-8
|
| 21642 |
muntgeld |
hel geld:
hêl geld (L270p Tegelen),
klinkende munt:
klinkende munt (L270p Tegelen),
specie:
(= specie).
sjpeessie (L270p Tegelen)
|
Inventarisatie uitdrukkingen voor: muntgeld, klinkend geld in het algemeen [geen bankbiljetten dus] [speeses?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 34392 |
muntig schaap |
gusteling:
gø̜stǝleŋ (L270p Tegelen)
|
Schaap dat eenmaal gelamd heeft en dan onvruchtbaar blijft. [N 19, 66]
I-12
|
| 34069 |
muntige koe |
aangehouden koe:
āngǝhōi̯ǝ [koe] (L270p Tegelen),
guste koe:
gø̜stǝ [koe] (L270p Tegelen)
|
Koe die men een tijdlang vrij wil houden en daarom niet laat dekken als ze tochtig is. Zie voor de fonetische documentatie van (koe) het lemma ''koe'' (3.3.1). [N 3A, 28]
I-11
|