| 25219 |
halve maan, laatste kwartier |
laatste kwartier:
letstə kəteer (L270p Tegelen)
|
schijngestalte van de maan: laatste kwartier [afnemende, donkere maan] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 29826 |
halve steen |
halve steen:
halvǝ štęjn (L270p Tegelen)
|
Een in de breedterichting doormidden geslagen metselsteen of een baksteen van dit formaat die machinaal is vervaardigd. Zie ook de toelichting bij het lemma ɛdrieklezoorɛ.' [N 31, 19a; monogr.]
II-8
|
| 21607 |
halve stuiver |
bats:
⁄ne bats (L270p Tegelen),
halve stuiver:
⁄nen halve sjtuver (L270p Tegelen),
lap:
zine lap (L270p Tegelen)
|
halve stuiver, een 2 1/2 centstuk [lap, sjoe, groot, flapsent, bokkestuiver, grote cent, plak, bots, vierduitstuk?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 21606 |
halve-centstuk |
oortje:
Opm. (zie bijlage): dit woord komt slechts als verkleinwoord voor en kan enkel geschreven worden met een t om een verwarring met een event. verkleinwoord van "âôrd"(= plaats), dus "äördje", wat ook een beslist zachtere, langere klank heeft dan t eerste, te vermijden.
⁄n äörtje (L270p Tegelen),
Opm. Frans: manoeuvre.
⁄n äortje (L270p Tegelen)
|
halve-centstuk, een ~ [senske?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 20820 |
ham, hesp |
knokenschink:
knaoke-sjink (L270p Tegelen),
schink:
sjink (L270p Tegelen)
|
welke soort ham wordt bij u met één woord aangeduid? Er zijn bij de slager 2 soorten ham te koop, gekookte en rauwe. Een ervan kan men met éeen woord aan duiden, bij de andere soort moet er nog een woord voor [DC 46 (1971)] || zware ham, waaruit het been niet door de slager is verwijderd
III-2-3
|
| 25417 |
hamer |
hamel:
hāwǝl (L270p Tegelen)
|
Hamer, gebruikt bij het loskappen van de bevroren klei. Zie ook de toelichting bij het lemma ɛhouweelɛ.' [monogr.]
II-8
|
| 31948 |
hamersteel |
hamelensteel:
hāmǝlǝštēl (L270p Tegelen)
|
De, doorgaans houten, handgreep van een hamer. [N 53, 126e]
II-12
|
| 17659 |
hand |
hand:
heng (L270p Tegelen)
|
[N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 29935 |
handbeschermer |
duimleer:
duwmlē̜r (L270p Tegelen),
handleer:
haŋklē̜r (L270p Tegelen)
|
Rubber of leren kapje dat men aan de handen schuift om vingers en handpalm te beschermen bij het dragen van stenen. De woordtypen 'handschoe' en 'want' duiden waarschijnlijk een handschoenachtige bescherming aan die de hele hand bedekt. Zie ook het lemma 'handbeschermers' in het Woordenboek van de Limburgse Dialecten II.8, pag. 59. Over de term handlap merkt Van Houcke (pag. 133) op: ...Is een klein stuk leder met eene of meer dubbele kerven. De kerven vormen als 't ware ringen, waarin de metselaar de vingeren steekt om de hand tegen het slijten door den steen, en voornamelijk door natgemaakten steen, veroorzaakt, te vrijwaren.ø̄ [N 30, 6a; N 30, 6b; monogr.]
II-9
|
| 29773 |
handbeschermers |
handleren:
haŋklērǝ (L270p Tegelen)
|
Vingerloze handschoenen, uit leer of een oude binnenband vervaardigd, ter bescherming van de handen tegen het schuren bij het laden en lossen. [N 98, 159; monogr.]
II-8
|