| 30054 |
grondwerker |
graver:
grāvǝr (L270p Tegelen),
grondwerker:
groŋkwęrkǝr (L270p Tegelen)
|
De arbeider die het graafwerk voor kelderruimte of funderingssleuven verricht. In L 270 werd dit werk gewoonlijk door de handlangers gedaan. Zie voor de fonetische documentatie van de tussen '(...)-' geplaatste vormen het lemma 'Handlanger'. [N 30, 3a; N 30, 26a; monogr.]
II-9
|
| 32738 |
groot geploegd middendeel |
akker:
akǝr (L270p Tegelen),
land:
laŋk (L270p Tegelen),
romp:
romp (L270p Tegelen),
stuk:
štø̜k (L270p Tegelen)
|
Onder het groot geploegd middendeel van een akker wordt verstaan de aan één stuk en meestal in lengtevoren te ploegen hoofdmoot van een akker, die het eerst bewerkt is of wordt. Dit middendeel omvat, op de wendakker(s) en een evt. geerstuk na, de gehele akker. Voor sommige van de hieronder vermelde termen zie men ook het lemma zzoivoor, diep geploegd land. [N 11, 52; N 11A, 125a]
I-1
|
| 32670 |
groot voorploegwiel |
onderrad:
oŋǝrrā.t (L270p Tegelen)
|
Het grote, doorgaans rechter voorploegwiel dat "in de voor" loopt. Van onderstaande termen zijn voorrad, voorwiel, voorrullen ook toepasselijk op het in de voor lopende wiel van een karploeg met twee even grote wielen. Voor het voor-gedeelte van varianten zie men het lemma ploegvoor. [N 11, 31.II.c; N 11A, 97c]
I-1
|
| 20346 |
grootmoeder |
bestemoeder:
bèstemooder (L270p Tegelen),
grootmoeder:
grooətmooder (L270p Tegelen),
grooətmoodər (L270p Tegelen),
oma:
oma (L270p Tegelen)
|
grootmoeder [DC 05 (1937)]
III-2-2
|
| 20345 |
grootouders |
grootouders:
grooətelders (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
grootouders [DC 05 (1937)]
III-2-2
|
| 20288 |
grootvader |
bestevader:
vero.
bèstevader (L270p Tegelen),
grootvader:
grooətvaader (L270p Tegelen),
grooətvadər (L270p Tegelen),
opa:
opa (L270p Tegelen)
|
grootvader [DC 05 (1937)]
III-2-2
|
| 28721 |
grootwerk |
groot werk:
gruǝt wɛrk (L270p Tegelen)
|
Het werk dat bestaat in het maken van grote kledingstukken zoals colberts en winterjassen. [N 59, 194b]
II-7
|
| 28722 |
grootwerker |
grootwerker:
grūǝtwęrkǝr (L270p Tegelen)
|
Kleermaker die grote stukken maakt zoals colberts, jassen en mantels. [N 59, 197d; N 59, 194b]
II-7
|
| 25004 |
grootx |
groot:
grōēt (L270p Tegelen),
grōjt (L270p Tegelen),
grōət (L270p Tegelen),
grūət (L270p Tegelen)
|
groot [DC 03 (1934)]
III-4-4
|
| 25060 |
grote hoeveelheid, hoop |
bonk:
bôngk (L270p Tegelen),
hoop:
(höpke-huip).
houp (L270p Tegelen)
|
grote hoeveelheid || hoop, ongeordende stapel
III-4-4
|