| 22016 |
opleren |
africhten:
aafrichte (L331p Swalmen)
|
Hoe zegt men / hoe noemt men in Uw dialect: jonge duiven (een paar kilometer van het hok) wegbrengen, om ze te leren [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 18811 |
opletten |
opletten:
òplééte (L331p Swalmen)
|
aandacht geven, letten op [beletten, nikken] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 18810 |
oplettend |
waaks:
wááks (L331p Swalmen)
|
oplettend, achtslaan op wat kan gebeuren, gereed om te handelen, waakzaam [gewarig, gewaakzaam] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 21275 |
opmaken |
opmaken:
gaelt opma.kə (L331p Swalmen)
|
geld opdoen (opmaken) [RND]
III-3-1
|
| 33925 |
opmaken van staart en manen |
invlechten:
envlɛxtǝ (L331p Swalmen),
opmaken:
ǫpmākǝ (L331p Swalmen),
vlechten:
vlɛxtǝ (L331p Swalmen)
|
In dit lemma zijn de antwoorden op twee vragen samengebracht: "het opmaken van staart en manen" (N 8, 103a), en "een paardestaart vlechten" (N 8, 103b). De antwoorden op vraag 103a hebben immers vrijwel alleen met het opmaken en vlechten van de staart te maken. [N 8, 103a en 103b]
I-9
|
| 32928 |
opper |
berm:
bɛrm (L331p Swalmen),
huist:
hū.s (L331p Swalmen),
hū.st (L331p Swalmen)
|
De grootste soort hooihoop in het veld. [N 14, 112 en 111 add.; JG 1a, 1b, 2c; A 10, 20; A 16, 3b; A 42, 20b; L 38, 38b; monogr.]
I-3
|
| 18959 |
oprecht |
eerlijk:
eerlek (L331p Swalmen),
rechtuit:
rech oet (L331p Swalmen)
|
alles bedoelend zoals gezegd wordt, welmenend [rechtzinnig, oprecht] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 18030 |
oprispen |
rupsen:
rupse (L331p Swalmen),
rupsə (L331p Swalmen)
|
oprispen [SGV (1914)] || oprispen, een boertje laten [beuke, bulke, opgeure, opbotte] [N 10a (1961)]
III-1-2
|
| 21157 |
oprit |
oprit:
oprit (L331p Swalmen),
óprit (L331p Swalmen)
|
een hellend oplopende weg om op een dijk, een brug enz. te kunnen komen (april, opweg, opril, oprit, stoep, aprel) [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 19426 |
opruimen |
opruimen:
opruume (L331p Swalmen)
|
Opruimen (opruimen, oprommelen, klarantie maken, ontdoen) [N 79 (1979)]
III-2-1
|