e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Opglabbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
stiefvader stiefvader: stèfvāi̯ər (Opglabbeek) stiefvader [ZND 11 (1925)] III-2-2
stiekem heimelijk: hēͅ[i}məlĭk (Opglabbeek), ook materiaal znd 1u, 65  hēͅiməlĭk (Opglabbeek) geniepig [ZND 01 (1922)] || Heimelijk, geniepig, enz. [ZND 01u (1924)] III-1-4
stiekem eten knibbelen: knibbele (Opglabbeek), knibbələ (Opglabbeek), slokken: slókke (Opglabbeek), sneuken: snèjke (Opglabbeek) stiekem eten; Hoe noemt U: Steeds weer stiekem eten (knaffelen, knaspelen) [N 80 (1980)] III-2-3
stier duur: dēr (Opglabbeek), stier: stēr (Opglabbeek), var: var (Opglabbeek) Mannelijk, niet gecastreerd rund. [JG 1a, 1b; A 4, 12; Gwn V, 1; L 7, 46; L 14, 14; L 20, 12; R 3, 38; S 35; Wi 14; monogr.; add. uit N 3A, 15] I-11
stijf van vingers en handen stijf: stīf (Opglabbeek) stijf, van vingers en handen gezegd [scheef] [N 10 (1961)] III-1-2
stijfkop koppigaard: ook materiaal znd 28, 31  kippigaard (Opglabbeek), kwade saro: Het is afgel, van het reg.ww. sarren en het zn. een sar: plaaggeest z ook sakker, gedwèringde  eine koaje saro (Opglabbeek), lastige saro: eine lestige saro (Opglabbeek), sakker: sakker (Opglabbeek), stijfkop: sti-jfkop (Opglabbeek), stijverik: sti-jferik (Opglabbeek), warserik: wèèrserik (Opglabbeek), warskop: wèèrskop (Opglabbeek, ... ), warszak: wèèrszak (Opglabbeek) dwarskop || koppig [ZND 01 (1922)] || koppigaard || kwaadaardige dwarskop III-1-4
stijfsel stijf: samen met znd 7, 48  stiv (Opglabbeek), stijfsel: samen met znd 7, 48  stifsəl (Opglabbeek), stīfsəl (Opglabbeek), stīsəl (Opglabbeek) de witte stof die gebruikt wordt om linnen stijf te maken (witte klontjes) [ZND 32 (1939)] III-2-1
stijfselpap stijfpap: stiev-pap (Opglabbeek), stijfselpap: stiefselpap (Opglabbeek), stifselpap (Opglabbeek), stijfselwater: stiefselwater (Opglabbeek) stijfselpap [ZND 32 (1939)] III-2-1
stijgbeugels stijgbeugels: stī.gbē.gǝls (Opglabbeek) Metalen, van onderen afgeplatte, aan een riem bevestigde ring waarin een ruiter de voet zet om op of af te stijgen en om op te steunen bij het rijden. [JG 1a, 1b] I-10
stijlvoetplaat muurplaai: mōrplāj (Opglabbeek), plaai: plaj (Opglabbeek) De onderste regel van het raamwerk waarop de muurstijlen worden geplaatst. In Q 20 rustte de muurplaat op een gemetselde fundering die 'gezwel' ('gǝšw'l', mv. 'gǝšw'ldǝr') werd genoemd. [N 4A, 52d; monogr.; Vld] II-9