| 21421 |
stelen |
stelen:
stēͅlə (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek),
sto͂ͅlə (L416p Opglabbeek),
stèle (L416p Opglabbeek)
|
stelen [ZND 25 (1937)], [ZND A1 (1940sq)]
III-3-1
|
| 21422 |
stelen, scheefslaan |
in het geheim pakken:
hēͅ hēͅt ət en ⁄t gəhim gəpakt (L416p Opglabbeek),
schamoteren (<fr.):
Van Dale (FN): escamoter, 1. doen verdwijnen, weggoochelen, wegmoffelen; -2. afhandig maken, onfutselen...
gəšammotēͅrt (L416p Opglabbeek)
|
Hij heeft het in t geheim weggenomen (gemeenzame uitdrukkingen als "scheefslaan, pikken"enz). [ZND 01u (1924)]
III-3-1
|
| 30018 |
stelling |
drie-/drijpikkel:
dripekǝl (L416p Opglabbeek)
|
Doorgaans uit drie poten opgebouwde stellage waar de mortelbak tijdens het vullen op wordt geplaatst. De stelling wordt ook gebruikt bij het beladen van het steenbord. Zie ook afb. 23. Met de termen 'bok' of 'schraag' duidde men in Q 121 een houten schraag met uitstekende dwarsplanken aan. Op de planken werden op heuphoogte van de metselaar de mortel en de stenen gedeponeerd zodat deze zich niet te diep hoefde te bukken. Zie voor de fonetische documentatie van de woorddelen '(mortel)-', '(spijs)-' etc. het lemma 'Mortel'. [N 30, 45c; monogr.; div.]
II-9
|
| 32686 |
stelmechanismen aan de ploeg |
ploegband:
plōx˱bant (L416p Opglabbeek),
regelaar:
rī.gǝlę̄r (L416p Opglabbeek),
veer:
vę̄r (L416p Opglabbeek)
|
Aan een ploeg zijn verschillende mechanismen of onderdelen te onderscheiden, die dienen om de diepte en breedte van de voor, alsmede de stand van de werkende delen van de ploeg te regelen. Naar de benamingen hiervoor werd niet in het hele gebied ge√Ønformeerd. Mede daarom werden de betrokken gegevens in één lemma bijeengezet. De regelende onderdelen in kwestie zijn hieronder per soort nader toegelicht. Men vergelijke het vorige lemma. [N 11, 31.IV.d; N 11, 32b; N 11A, 93b + 98a + 98d; JG 1a; monogr.]
I-1
|
| 18158 |
stelpen van bloed |
stoppen:
stoppen (L416p Opglabbeek)
|
Stelpen van bloed (struppen, stolpen, stoppen, stollen. [N 107 (2001)]
III-1-2
|
| 22367 |
stelt |
stelt:
steͅlt (L416p Opglabbeek)
|
Elk van de beide staken met een dwarsklamp waarop men de voet zet en die gebruikt worden om daarmee grotere stappen te doen [stelt, staak, schaats]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 21602 |
stemmen |
stemmen:
Algemene opmerking bij deze vragenlijst: invuller noteert bij spellingssysteem: WBD-WLD, behalve je = dj.
stəmmə (L416p Opglabbeek)
|
zijn stem uitbrengen bij verkiezingen [stemmen, doppen] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 21487 |
stempelen |
doppen:
Algemene opmerking bij deze vragenlijst: invuller noteert bij spellingssysteem: WBD-WLD, behalve je = dj.
dóppə (L416p Opglabbeek)
|
het laten afstempelen door een werkloze van een formulier als bewijs dat hij geen regelmatige arbeid verricht heeft [doppen, stempelen] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 19522 |
stenen pot, keulse pot |
pot:
pot (L416p Opglabbeek),
poͅt (L416p Opglabbeek)
|
een stenen pot (hard gebakken, blauwgrijs) [ZND 32 (1939)]
III-2-1
|
| 29923 |
stenendrager |
brikkendrager:
brekǝdrāgǝr (L416p Opglabbeek)
|
De handlanger die speciaal belast is met het aandragen van de metselstenen. Zie voor de fonetische documentatie van de tussen haken geplaatste termen het lemma 'handlanger'. [N 30, 2d; N 31, 16b; monogr.]
II-9
|