e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Opglabbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
stamppot wortelen potenmoes: Van èèrpel, pute en kreppelkes spek möt ein butersaus: doavan kos gruutsje het lekkerste putemoos make  putemoos (Opglabbeek), potenstomp: putestòmp (Opglabbeek) wortelpuree III-2-3
standbeeld standbeeld: stâmbe.əlt (Opglabbeek) standbeeld [RND] III-3-2
stapvoets gaan stappen: stapǝ (Opglabbeek) De langzaamste gang van het paard (stap, draf, galop) waarbij de vier voeten in de volgende volgorde opgeheven en weer neergezet worden: links achter, links voor, rechts achter, rechts voor, links voor, rechts achter, rechts voor en links achter. Zijn de vier hoefslagen niet duidelijk hoor- en zichtbaar, dan noemt men de stap onregelmatig. Zie afbeelding 8. [N 8, 81a] I-9
station statie (<lat.): ig hèb miene pareplie in de statie laote stuun (Opglabbeek) Ik heb mijn paraplu in het station laten staan [ZND 46 (1946)] III-3-1
staven pinnen: penǝ (Opglabbeek  [(enkelvoud: pen)]  ) De spijlen van het rondsel of van de wieg in zowel de water- als de windmolen. Zie ook afb. 58. In de meeste watermolens uit het onderzoeksgebied was het rondsel vervangen door een, vaak metalen, kamrad. De benamingen voor de kammen van dit soort raderen zijn geplaatst in het lemma ɛkammenɛ.' [N O, 14b; N O, 50f; Vds 92; Jan 103; Coe 83] II-3
steeg, steegje straat, straatje: strēͅtjə (Opglabbeek) Steeg (smal straatje). [ZND 07 (1924)] III-3-1
steek steek: steek (Opglabbeek), stēk (Opglabbeek, ... ), stēͅk (Opglabbeek) een steek (van een mes) [ZND 31 (1939)] || een steek met een mes [ZND 07 (1924)] || steek [ZND m] III-1-2
steek met drie hoeken bonnet (<oudfr.): boneͅt`ə (Opglabbeek) steek, hoed waarvan de (gedeeltelijke opgeslagen) luifel drie hoeken vertoont (bijv. een bepaalde priesterhoed) [drieteut, drietip, drejtik, tööt] [N 25 (1964)] III-3-3
steeklustige bijen stekers: stekers (Opglabbeek) Volk dat graag steekt. Er kan verschil zijn tussen bijenvolken en soorten bijen wat steken betreft. Maar doorgaans zijn het toch omstandigheden zoals onweer, grote hitte, regen en geur die de bijen vooral tot steken verleiden. [N 63, 73c; Ge 37, 125] II-6
steekschop schoep: šō.p (Opglabbeek  [(uitgehold)]  ), schup: šęp (Opglabbeek  [(smal)]  ) De schop waarmee men het graafwerk verricht. Woordtypen als 'steekschup', 'graafschup' en 'spade' verwijzen waarschijnlijk naar een schop met een vlak, aangescherpt blad, dat min of meer in het verlengde van de steel is geplaatst, terwijl termen als 'platte schup', 'bats', 'pan' en 'schuitje' eerder op een schop met een wat groter blad duiden. [N 30, 26b; monogr.] II-9