e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Opglabbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
sprokkelen sprokkelen: spròkələ (Opglabbeek) Sprokkelen: gevallen, dor hout zoeken (sprokkelen, stekkeren). [N 84 (1981)] III-1-2
sprookje vertelseltje: vərtaelsəlkə (Opglabbeek), vərtəlsəlkə (Opglabbeek) een kindervertelsel [spruik] [N 87 (1981)] || hoe heet een kindervertelsel ? kent ge nog een woord sage ? (uitspraak) [ZND 42 (1943)] III-3-1
spruiten spruitjes: spri:tšəs (Opglabbeek) spruitkool, spruiten als gerecht [N Q (1966)] III-2-3
spruiten, uitbotten schieten: WBD/WLD  sjīēt (Opglabbeek), spruiten: sprûte (Opglabbeek), struiken: strûke (Opglabbeek) schieten, scheuten krijgen || spruiten, uitschieten || Uitlopers krijgen, loten vormen, gezegd van planten, bomen (spruiten, uitbotten). [N 82 (1981)] III-4-3
spruitkool, spruitje spruitje: sjprietsjes (Opglabbeek), spri-jtsje (Opglabbeek), spruitkool: sprûtkiêl (Opglabbeek) [N Q (1966)]spruitje || spruitkool I-7
spruitpot hakselketel: hɛksǝlkīǝtǝl (Opglabbeek), ossenketel: ǫsǝkīǝtǝl (Opglabbeek), spikpot: spekpot (Opglabbeek) Pot waarin men koren kookt, zodat het gaat zwellen. Vervolgens voert men dit aan beesten met name aan het paard. [N 18, 129] I-11
spuiten prietsen: prītst (Opglabbeek), pritsen: pritst (Opglabbeek), spuiten: spèjte (Opglabbeek) persen, Met kracht vloeistof door een nauwe opening ~ (spuiten, spruiten, spritsen, sprietelen). [N 84 (1981)] || spuiten, met kracht door een nauwe opening naar buiten geperst worden, gezegd van water [spruiten, spritsen, sprietelen] [N 81 (1980)] III-1-2, III-4-4
spuwbakje, kwispedoor sjiekbakje: sjikbékske (Opglabbeek), spijbakje: spi-jbékske (Opglabbeek), spiejbèkskə (Opglabbeek), tufbakje: tufbékske (Opglabbeek) Spuwpotje of -bakje (spuwbakje, tufbak, speekbak, kwispedoor, kwispeldoer) [N 79 (1979)] III-2-1
staakbonen rijserwten: ri:sə ertə (Opglabbeek) [N Q (1966)] I-7
staakijzer van de watermolen staakijzer: stākizǝr (Opglabbeek) Bij watermolens een loodrecht staande, zware spil die aan de bovenzijde met een nok in het gat van de rijn van de loper past en aan de onderzijde in een op een beweegbare balk staande ijzeren pot draait. Op het staakijzer is een rondsel gemonteerd. Het geheel bevindt zich bij watermolens meestal onder de molenstenen. Achter het plaatscodenummer is tussen haakjes vermeld van welk materiaal het staakijzer in de betreffende plaats is vervaardigd. Zie ook het lemma ɛstaakijzer van de windmolenɛ.' [Vds 82; Jan 104; Coe 90; Grof 103; A 42A, 14; A 42A, 22; N D, 14] II-3