| 17915 |
sprokkelen |
sprokkelen:
spròkələ (L416p Opglabbeek)
|
Sprokkelen: gevallen, dor hout zoeken (sprokkelen, stekkeren). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 21545 |
sprookje |
vertelseltje:
vərtaelsəlkə (L416p Opglabbeek),
vərtəlsəlkə (L416p Opglabbeek)
|
een kindervertelsel [spruik] [N 87 (1981)] || hoe heet een kindervertelsel ? kent ge nog een woord sage ? (uitspraak) [ZND 42 (1943)]
III-3-1
|
| 21007 |
spruiten |
spruitjes:
spri:tšəs (L416p Opglabbeek)
|
spruitkool, spruiten als gerecht [N Q (1966)]
III-2-3
|
| 24516 |
spruiten, uitbotten |
schieten:
WBD/WLD
sjīēt (L416p Opglabbeek),
spruiten:
sprûte (L416p Opglabbeek),
struiken:
strûke (L416p Opglabbeek)
|
schieten, scheuten krijgen || spruiten, uitschieten || Uitlopers krijgen, loten vormen, gezegd van planten, bomen (spruiten, uitbotten). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 33637 |
spruitkool, spruitje |
spruitje:
sjprietsjes (L416p Opglabbeek),
spri-jtsje (L416p Opglabbeek),
spruitkool:
sprûtkiêl (L416p Opglabbeek)
|
[N Q (1966)]spruitje || spruitkool
I-7
|
| 34286 |
spruitpot |
hakselketel:
hɛksǝlkīǝtǝl (L416p Opglabbeek),
ossenketel:
ǫsǝkīǝtǝl (L416p Opglabbeek),
spikpot:
spekpot (L416p Opglabbeek)
|
Pot waarin men koren kookt, zodat het gaat zwellen. Vervolgens voert men dit aan beesten met name aan het paard. [N 18, 129]
I-11
|
| 17910 |
spuiten |
prietsen:
prītst (L416p Opglabbeek),
pritsen:
pritst (L416p Opglabbeek),
spuiten:
spèjte (L416p Opglabbeek)
|
persen, Met kracht vloeistof door een nauwe opening ~ (spuiten, spruiten, spritsen, sprietelen). [N 84 (1981)] || spuiten, met kracht door een nauwe opening naar buiten geperst worden, gezegd van water [spruiten, spritsen, sprietelen] [N 81 (1980)]
III-1-2, III-4-4
|
| 19428 |
spuwbakje, kwispedoor |
sjiekbakje:
sjikbékske (L416p Opglabbeek),
spijbakje:
spi-jbékske (L416p Opglabbeek),
spiejbèkskə (L416p Opglabbeek),
tufbakje:
tufbékske (L416p Opglabbeek)
|
Spuwpotje of -bakje (spuwbakje, tufbak, speekbak, kwispedoor, kwispeldoer) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 33515 |
staakbonen |
rijserwten:
ri:sə ertə (L416p Opglabbeek)
|
[N Q (1966)]
I-7
|
| 26423 |
staakijzer van de watermolen |
staakijzer:
stākizǝr (L416p Opglabbeek)
|
Bij watermolens een loodrecht staande, zware spil die aan de bovenzijde met een nok in het gat van de rijn van de loper past en aan de onderzijde in een op een beweegbare balk staande ijzeren pot draait. Op het staakijzer is een rondsel gemonteerd. Het geheel bevindt zich bij watermolens meestal onder de molenstenen. Achter het plaatscodenummer is tussen haakjes vermeld van welk materiaal het staakijzer in de betreffende plaats is vervaardigd. Zie ook het lemma ɛstaakijzer van de windmolenɛ.' [Vds 82; Jan 104; Coe 90; Grof 103; A 42A, 14; A 42A, 22; N D, 14]
II-3
|