| 18532 |
sportvest |
sportvest:
sportvest (L416p Opglabbeek)
|
een sportvest [N 59 (1973)]
III-1-3
|
| 20449 |
spotnaam voor hoge hoed |
buis:
bys (L416p Opglabbeek),
staafpijp:
sta͂ofpīp (L416p Opglabbeek)
|
hoed, hoge ~: spotbemaningen [tarpot, titsj, hekteliter, böömert, handskow, kachelpiep, sjtief] [N 25 (1964)]
III-2-2
|
| 21770 |
spreekwoord |
waarheid:
geen verschil vr. 16, 17, 18, 19
woarheid (L416p Opglabbeek)
|
Noem het (dialect)woord voor: een uitspraak zoals: "oost, west, thuis, best"? [spreekwoord] [N 102 (1998)]
III-3-1
|
| 24249 |
spreeuw |
spreeuw:
spreef (L416p Opglabbeek),
spriyw (L416p Opglabbeek),
spriêf (L416p Opglabbeek),
sprīəf (L416p Opglabbeek)
|
spreeuw [ZND 07 (1924)] || spreeuw (21,5 overal talrijke bekende soort; wel eens verward met merel [018]; in voorjaar paars glanzend-zwart en gele bek; rest van het jaar witgespikkeld bruin; altijd druk en in troepen; broedt in allerlei gaten; overal voorkomend [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 21352 |
spreken, praten |
praten:
hɛ̄ kan vlāms praoten (L416p Opglabbeek)
|
Hij kan Vlaams (Diets, Duuts) praten. [ZND 08 (1925)]
III-3-1
|
| 24994 |
sprenkelen |
sprinkelen:
sprīnkələ (L416p Opglabbeek)
|
druppelsgewijze uitstrooien, uitgieten [spuiten, sprenkelen, sprengen] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 21534 |
spreuk |
spreekwoord:
sprēͅkwy(3)̄rt (L416p Opglabbeek),
waarheid:
geen verschil vr. 16, 17, 18, 19
woarheid (L416p Opglabbeek)
|
een spreuk [ZND A2 (1940sq)] || Noem het (dialect)woord voor: een uiting zoals: "oordeel niet, opdat ge niet geoordeeld wordt"? [spreuk] [N 102 (1998)]
III-3-1
|
| 17818 |
springen |
springen:
spreŋə (L416p Opglabbeek),
sprijnge (L416p Opglabbeek)
|
springen [ZND 25 (1937)]
III-1-2
|
| 24609 |
springzaad |
springkruid:
?
spring kruu:t (L416p Opglabbeek)
|
reuzenbalsemien [DC 68 (1993)]
III-4-3
|
| 17591 |
sproeten |
spronselen:
spronsəl (L416p Opglabbeek)
|
sproet, sproeten [sproewtels] [N 10 (1961)]
III-1-1
|