| 33096 |
spits, kop van de mijt |
kap:
kap (L416p Opglabbeek)
|
Het bovenste stukje van het dak van de korenmijt. Zie de toelichting bij het lemma ''buitenstaande korenmijt'' (5.1.18). [JG 1a, 1b; monogr.]
I-4
|
| 24359 |
spitsmuis |
krits:
WBD/WLD
kretsə (L416p Opglabbeek)
|
Hoe noemt u het insektenetend diertje, veel op een muis lijkend, met spitse kop, dunne poten en een vrij lange staart (spitsmuis, dol, aardbol) [N 83 (1981)]
III-4-2
|
| 32749 |
spitten |
omspaden:
om[spaden] (L416p Opglabbeek),
spaden:
spāi̯ǝ (L416p Opglabbeek)
|
In de tuin, op een zeer klein perceel of een moeilijk te ploegen hoek van een akker de grond met een spade - al dan niet in voren - uitsteken en omkeren. De simplicia spaden, graven e.d. zijn bij absoluut gebruik van toepassing op het spitwerk als zodanig. Meestal kunnen ze ook transitief gebruikt worden met het te bewerken stuk grond (de tuin e.d.) als object. [N 11, 65a; N 11A, 146a + b + c; N 11A, 50b add; RND 4 + 7 + 8 + 10, zin 4; A 33, 6 + 7 + 16 add.; L 7, 25; S 34; Lu 1, 1c; monogr.; div.]
I-1
|
| 24706 |
splitsing van de stam |
gaffel:
WBD/WLD
gàffəl (L416p Opglabbeek)
|
Het deel van de boom waar de stam zich in tweeën splitst (gaffel, mik, vork). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 19806 |
spons |
sponsje:
Köntsj ge Finske? Dèè wist zee kònsje möt e spinske Oppe twalöttoafel laag èè roos spinske
spinske (L416p Opglabbeek)
|
sponsje
III-2-1
|
| 21160 |
spoorweg |
spoorweg:
Algemene opmerking bij deze vragenlijst: invuller noteert bij spellingssysteem: WBD-WLD, behalve je = dj.
spūurwéég (L416p Opglabbeek)
|
een weg met rails waarover men wagens die mechanisch voortbewogen worden, laat lopen voor het vervoer van personen en goederen [spoorweg, route, ijzerenweg] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 28460 |
spoorwieltje |
spoorwiel:
spoorwiel (L416p Opglabbeek)
|
Een wieltje aan een handvat dat dient om draden in een kunstraat te bevestigen. [N 63, 15]
II-6
|
| 34483 |
sporen van de haan |
sporen:
spȳǝrǝn (L416p Opglabbeek)
|
Doornachtige hoornuitwas van de poten van de haan. [N 6, 3; L 7, 27b; monogr.]
I-12
|
| 19707 |
sport van een stoel |
spon:
spòn (L416p Opglabbeek),
sproot:
Ki-jk ût möt de leijer, want ein paar sprute zeen gebruke
spruut (L416p Opglabbeek),
treem:
triêm (L416p Opglabbeek)
|
de sport van een stoel || dwarshout van een stoel || sport van een stoel
III-2-1
|
| 34582 |
sporten |
sproten:
(enkelv)
sprūǝ.t (L416p Opglabbeek)
|
De scheien die de ladderbomen met elkaar verbinden. [JG 1a, JG 1b]
I-13
|