| 32062 |
spijker, nagel |
nagel:
nāgǝl (L416p Opglabbeek
[(meervoud: nāgǝls of nē̜gǝl)]
)
|
In het algemeen het puntige, metalen staafje, waarmee iets vastgezet kan worden. [monogr.]
II-12
|
| 31953 |
spijkeren |
nagelen:
nāgǝlǝ (L416p Opglabbeek),
nīǝgǝlǝ (L416p Opglabbeek
[(vero)]
)
|
Met een hamer spijkers in het hout slaan. [N 53, 152a-b; L 5, 7; monogr.]
II-12
|
| 34592 |
spil van de berries |
karnagel:
karnāgǝl (L416p Opglabbeek),
pegel:
pēgǝl (L416p Opglabbeek)
|
IJzeren spil waarmee de berries van de slagkar bevestigd zitten aan de draagbomen onder de bak. [N 17, 18; N G, 56c]
I-13
|
| 24379 |
spin |
spin:
spɛn (L416p Opglabbeek)
|
spin [RND]
III-4-2
|
| 20121 |
spinnen |
spinnen:
spęnǝ (L416p Opglabbeek)
|
De handeling die met behulp van een spinnewiel werd verricht. Vooral voor vlas en hennep was het raadzaam de spinvingers nat te houden tijdens het spinnen. Hiervoor had men een klein potje met water aan rokken of wiel hangen (Weyns, pag. 844-845). Soms werden daartoe ook wel kleine, twee-orige kruikjes van ongeveer 7 cm hoog gebruikt, gebakken onder andere te Raeren. [N 34, C; RND 3; Wi 27; S 34; monogr.]
II-7
|
| 24381 |
spinnenweb |
spinnengeweef:
spenəgəwɛ.f (L416p Opglabbeek),
spinnenweb:
speͅnnəweͅb (L416p Opglabbeek)
|
spinnenweb [RND], [ZND 07 (1924)]
III-4-2
|
| 28981 |
spinnetje, driehoekige trens |
vlinder:
vlinder (L416p Opglabbeek)
|
Handgeborduurde hechting in de vorm van een driehoek, toegepast als versterking van de uiteinden van plooi, zak of split, of een vliegvormig gestikt hoekje tegen het uitscheuren. [N 62, 41b; N 59, 57; MW]
II-7
|
| 29117 |
spinnewiel |
spoel:
spōl (L416p Opglabbeek)
|
Toestel om vlas, wol en soms ook andere vezelsoorten te spinnen. Men kent verschillende soorten spinnewielen. Er zijn er waarbij de spil met kam of vleugel boven het wiel is ingebouwd en waarbij de voet een schijfvormig, horizontaal blokje op vier (soms drie) pootjes is. Dit is het zogenaamde blokwiel of de blokspoel. Verder is er een model waarbij de spil naast het wiel is gebouwd. In het rechthoekige, schuingerichte blokje steken drie poten die zich lijken schrap te zetten. Vandaar ook wel benamingen als geit en germ. Een derde model met spil en vleugel naast het wiel en waarbij het dragende gedeelte een rechthoekig raam is, komt niet zoveel voor (Weyns, pag. 843). Dit is het zogenoemde raamwiel. Bij de blokspoel draait het grote wiel vlak voor de spinster of spinner. Het spinmechanisme staat midden boven het wiel ter hoogte van de borst van degene die spint. De blokspoel werd in de jaren 1940-1945 populair. Ze heeft maar de helft staanplaats nodig vergeleken met de ø̄lange spoelø̄ (informant van L 320a). Ze kon in kleine ruimtes zoals die op binnenschepen worden gebruikt (Weyns, pag. 843). Vandaar ook de benaming schippersspoel. Ook de benaming bok duidt op het model ø̄blokspoelø̄. De benamingen bok, geit en germ zijn vergelijkenderwijs ontstaan door de bepaalde vorm van het spinnewiel. Zie afb. 50. [N 34, A; N 5A (I]
II-7
|
| 24658 |
spint, zachte houtlaag onder de schors |
spek:
WBD/WLD (? - onduidelijk)
spek (L416p Opglabbeek)
|
De jonge zachte houtlaag onder de schors (spint, bast). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 19451 |
spionnetje, kijkgaatje |
kijkgaatje:
kĭĕjkgêêtjə (L416p Opglabbeek),
ooggat:
( N.B. ook in 3668 As )
īēgáát (L416p Opglabbeek)
|
Raampje of gaatje in de deur om te zien wie er voor de deur staat (kijkvenstertje, oog, kijkgaatje) [N 79 (1979)]
III-2-1
|