| 17719 |
sperma |
zaad:
zoat (L416p Opglabbeek)
|
Sperma: het mannelijke zaad (zaad, natuur, sperma, wieks) [N 106 (2001)]
III-1-1
|
| 24247 |
sperwer |
sperwer:
sperver (L416p Opglabbeek),
spɛrwər (L416p Opglabbeek)
|
sperwer || sperwer / havik (35 / 55 vrij ronde vleugels en lage staart; gestreepte onderkant, gele ogen; komen onverwachts laag aanvliegen en grijpen dan de verraste prooi; de kleine soort vaak op trek; s winters ook in stad en dorp; de grote broedt zeldzaam in g [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 33513 |
sperziebonen |
prinsesbonen:
WBD/WLD
princesbūūn (L416p Opglabbeek),
sokkerboontjes:
sòkkerbiênkes (L416p Opglabbeek)
|
De gewone boon met gezwollen zaden, prinsesseboon,sperzieboon, (slaboon, kereboon, herenboon, boterboon, prinses, suikerboon). [N 82 (1981)] || prinsesseboontjes
I-7
|
| 20535 |
spetteren |
snirken:
snérke (L416p Opglabbeek),
sprinken:
sprinke (L416p Opglabbeek),
sprinkə (L416p Opglabbeek)
|
Sudderen: Hoe noemt U; knetteren van de boter in de pan bij verhitting (snerken,sudderen) [N 80 (1980)] || sudderen; Hoe noemt U: Knetteren van de boter in de pan bij verhitting (snerken, sudderen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 28513 |
speurbijen |
gangmakers:
(enk)
gaŋmākǝr (L416p Opglabbeek)
|
Werksters die een paar dagen voordat een bijenvolk gaat zwermen, gaan zoeken naar een nieuwe woning. Spleten en reten, holle bomen, schoorstenen en lege korven zijn mogelijke woonplaatsen. [N 63, 31a]
II-6
|
| 26360 |
spie |
spie/spij:
spi(i̯) (L416p Opglabbeek)
|
De zeisring, die steel en blad verbindt, wordt vastgeslagen door middel van een spie, of door twee of meer spietjes. Doorgaans zijn ze van hout, omdat deze het beste vast blijven zitten; soms vindt men ook een ijzeren spie, vaak in combinatie met een houten. Zie ook de toelichting bij het lemma ''zeisring'', en afbeelding 4, nummer A4 en B4. [N 18, 67e; JG 1a, 1b, 2c; add. uit A 14, 2]
I-3
|
| 32234 |
spie van de schei |
spie/spij:
spi (L416p Opglabbeek)
|
Houten pen die door een opening in het uiteinde van de schei wordt gestoken en deze aan de buitenkant van de berrie vastzet. Zie ook het lemma ɛscheiɛ in wld I.13, pag. 40.' [JG, 1a]
II-12
|
| 19804 |
spiegel |
spiegel:
Es eme(s) te lang viêr de spiegel steit te ki-jke, dan steit den di-jvel achter hèèm(of hèèr)
spegel (L416p Opglabbeek)
|
spiegel
III-2-1
|
| 22401 |
spiertje trekken |
spiertje trekken:
speerke trèkke (L416p Opglabbeek),
spērkə trēͅkə (L416p Opglabbeek)
|
Hoe zeggen de kinderen, wanneer ze eerst willen zien wie mag beginnen, b.v. bij het knikkerspel? Vertaal dus en vul aan: We zullen eerst ... [ZND 26 (1937)] || Loten met gras of lucifers (bijv. wie de langste trekt) [spiertje trekken, getuigen, tuigen]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 21373 |
spijbelen |
heggenschool houden:
heggəšaol hayən (L416p Opglabbeek),
hɛ.igəsjoͅəl ha.wwə (L416p Opglabbeek)
|
Hoe noemt men het heimelijk, zonder medeweten van de ouders, wegblijven van school? [Lk 03 (1953)] || Spijbelen (de school ontlopen, achter de hagen schoolgaan). [ZND 07 (1924)]
III-3-1
|