| 25457 |
spekhaak |
vleeshaak:
vlējshǭk (L416p Opglabbeek)
|
De S-vormige haak waaraan vlees, spek enz. na het lossnijden uit het lijf worden opgehangen. [N 28, 112; monogr.]
II-1
|
| 20702 |
spekpannenkoek |
spekkoek:
spɛkkōk (L416p Opglabbeek),
spekkoek
spɛkkōk (L416p Opglabbeek)
|
pannenkoek [ZND 40 (1942)] || Spekpannekoek (spekbraoj?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 28456 |
spekraat |
honingschol:
honingschol (L416p Opglabbeek)
|
Nieuwe raat waarin veel honing zit. De normale afstand tussen de raten is 35-40 mm hart op hart. De bijen kunnen de bovenste cellenreeksen zo ver uittrekken dat de raten elkaar bijna en op enige punten zelfs geheel raken. Deze cellen zijn doorgaans ongeschikt om erin te broeden maar voor het opbergen van honing zijn ze ideaal. Volgens de informant van L 215a is deze honing wel moeilijk te slingeren. [N 63, 13g]
II-6
|
| 22841 |
spel (alg.) |
spel:
e spael (L416p Opglabbeek)
|
spel [GTRP (1980-1995)]
III-3-2
|
| 18390 |
speld |
spang:
spaŋ (L416p Opglabbeek)
|
Puntig, van een kop voorzien metalen stiftje om iets in weefsel vast te steken of te bevestigen op of aan iets anders. [N 62, 50a; L 7, 20; L 14, 24; L B1, 73; R 14, 8a; MW; Wi 7; S 34; monogr.]
II-7
|
| 28970 |
spelden |
vastspangen:
vastspaŋǝ (L416p Opglabbeek)
|
Met spelden stukken kleding of panden aan elkaar vastspelden. [N 59, 74; L 7, 20; S 34]
II-7
|
| 28884 |
speldenkussen |
kussentje:
køskǝ (L416p Opglabbeek),
køsǝkǝ (L416p Opglabbeek),
naaldenkussen:
naaldenkussen (L416p Opglabbeek),
spangenkussentje:
spaŋǝkęskǝ (L416p Opglabbeek),
spɛŋǝkɛskǝ (L416p Opglabbeek),
speldenkussen:
spɛlǝkøsǝ (L416p Opglabbeek)
|
Kussentje waarop men de spelden en naalden steekt. De informant van Q 198 merkt op dat hij de naalden op zijn vest (kamizool) of op een stukje stof aan de muur speldde. Zie afb. 11. [N 59, 13a; N 62 68; L 45, 19; Gi 1.IV, 64; MW; monogr]
II-7
|
| 22383 |
spelen (alg.) |
spelen:
ech spēͅl, hēͅ spēͅlt, vēͅ spī[e}lən (L416p Opglabbeek),
spiihele (L416p Opglabbeek)
|
Ik speel, hij speelt, wij spelen. [ZND 07 (1924)] || spelen [GTRP (1980-1995)]
III-3-2
|
| 32226 |
speling in de asbus |
speel:
spī.ǝl (L416p Opglabbeek)
|
Door slijtage kan de normale speling tussen as en naafbus te groot worden, waardoor het wiel gaat waggelen. Zie ook het vorige lemma. [JG, 1a]
II-12
|
| 20165 |
spenen |
(het is) gespeend:
gǝspīǝ.nt (L416p Opglabbeek)
|
Het veulen het zuigen ontwennen. [JG 1a, 1b; N 8, 59]
I-9
|