e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Opglabbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
speciebord strijkplank: strīkplaŋk (Opglabbeek) Rechthoekig plankje met aan de onderzijde een handvat, van waaraf men de specie tegen de muur strijkt of in de voegen drukt. Zie ook afb. 87. De 'sperwer' bestaat uit een houten draagvlak dat is gemonteerd op een houten steel die naar onderen toe breder uitloopt en zo is uitgehold dat men hem op een knie kan zetten. Het draagvlak is bestemd voor de specie waarmee het plafond werd bepleisterd. De 'sperwer' werd in Q 121 ook 'pleisterstoel' genoemd (Lochtman, pag. 22). [N 30, 10; N 30, 9; monogr.] II-9
speculaas speculatie: Zowel als soortnaam als één exemplaar  spikkelasie (Opglabbeek), speculatiekoek: spikkelasiekook (Opglabbeek), speculatiemannetje: spikkelasiemenneke (Opglabbeek) speculaas || speculaaskoek || speculaasmannetje III-2-3
speculeren speculeren: spikuleerə (Opglabbeek) kopen, verkopen of wachten met kopen of verkopen in de verwachting winst te maken door stijging of daling van prijzen [lippen, speculeren] [N 89 (1982)] III-3-1
speeksel spij: spī (Opglabbeek), tuf: tuf (Opglabbeek) speeksel [ZND 07 (1924)] || Speeksel: het mondvocht, afscheiding van bepaalde klieren in de mond (smurrie, tuf, spuw, speek, jodevet, speeksel). [N 84 (1981)] III-1-1
speeksel uitspuwen spijen: spijə (Opglabbeek), spjə (Opglabbeek), tuffen: tøfə (Opglabbeek) (speeksel uit)spuwen [RND] || spuwen: speeksel uitspuwen [spiertse, spaowe, tuffe, spuige, speken] [N 10 (1961)] III-1-1
speeldop losse dop: losse dop (Opglabbeek) De aanzet van een koninginnedop of -cel waar echter geen eitje in komt. Wat de functie van de speeldop is, is niet duidelijk. De speeldop is als het ware de grondvorm van de eigenlijke moercel zonder ooit daartoe te worden uitgebouwd. Ze wordt hier en daar aan de buitenzijde der raten aangezet in de vorm van een eikelnapje. [N 63, 26a; N 63, 25b] II-6
speelkaart kaart: en kaahRt (Opglabbeek), eͅin kart (Opglabbeek) Een kaart. [ZND A1 (1940sq)] || kaart [GTRP (1980-1995)] III-3-2
speen lots: lōēts (Opglabbeek), tutter: tuttər (Opglabbeek) speen; een gummidop op een zuigfles [speen, fiep, frutter, tutter, toetje, fiepke, frut, stiekse] [N 86 (1981)] III-2-2
speen van de koe deem: dīm (Opglabbeek), dīǝm (Opglabbeek), dš.m (Opglabbeek) [N C, 12; JG 1a, 1b; A 30, 6a; L 8, 24b; L 14, 27b; L 49, 6a; monogr.] I-11
spek spek: spek (Opglabbeek), spèk (Opglabbeek), spɛk (Opglabbeek) het vaste vet tussen vlees en huid van de varkens [Goossens 1a (1955)] || lendestuk; Hoe noemt U: Lendestuk, ossehaas (ossehaas, harst, osseharst, runderharst, filet) [N 80 (1980)] || varkensvlees III-2-3