| 30561 |
speciebord |
strijkplank:
strīkplaŋk (L416p Opglabbeek)
|
Rechthoekig plankje met aan de onderzijde een handvat, van waaraf men de specie tegen de muur strijkt of in de voegen drukt. Zie ook afb. 87. De 'sperwer' bestaat uit een houten draagvlak dat is gemonteerd op een houten steel die naar onderen toe breder uitloopt en zo is uitgehold dat men hem op een knie kan zetten. Het draagvlak is bestemd voor de specie waarmee het plafond werd bepleisterd. De 'sperwer' werd in Q 121 ook 'pleisterstoel' genoemd (Lochtman, pag. 22). [N 30, 10; N 30, 9; monogr.]
II-9
|
| 20770 |
speculaas |
speculatie:
Zowel als soortnaam als één exemplaar
spikkelasie (L416p Opglabbeek),
speculatiekoek:
spikkelasiekook (L416p Opglabbeek),
speculatiemannetje:
spikkelasiemenneke (L416p Opglabbeek)
|
speculaas || speculaaskoek || speculaasmannetje
III-2-3
|
| 21888 |
speculeren |
speculeren:
spikuleerə (L416p Opglabbeek)
|
kopen, verkopen of wachten met kopen of verkopen in de verwachting winst te maken door stijging of daling van prijzen [lippen, speculeren] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 17782 |
speeksel |
spij:
spī (L416p Opglabbeek),
tuf:
tuf (L416p Opglabbeek)
|
speeksel [ZND 07 (1924)] || Speeksel: het mondvocht, afscheiding van bepaalde klieren in de mond (smurrie, tuf, spuw, speek, jodevet, speeksel). [N 84 (1981)]
III-1-1
|
| 17694 |
speeksel uitspuwen |
spijen:
spijə (L416p Opglabbeek),
spjə (L416p Opglabbeek),
tuffen:
tøfə (L416p Opglabbeek)
|
(speeksel uit)spuwen [RND] || spuwen: speeksel uitspuwen [spiertse, spaowe, tuffe, spuige, speken] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 28487 |
speeldop |
losse dop:
losse dop (L416p Opglabbeek)
|
De aanzet van een koninginnedop of -cel waar echter geen eitje in komt. Wat de functie van de speeldop is, is niet duidelijk. De speeldop is als het ware de grondvorm van de eigenlijke moercel zonder ooit daartoe te worden uitgebouwd. Ze wordt hier en daar aan de buitenzijde der raten aangezet in de vorm van een eikelnapje. [N 63, 26a; N 63, 25b]
II-6
|
| 22384 |
speelkaart |
kaart:
en kaahRt (L416p Opglabbeek),
eͅin kart (L416p Opglabbeek)
|
Een kaart. [ZND A1 (1940sq)] || kaart [GTRP (1980-1995)]
III-3-2
|
| 20287 |
speen |
lots:
lōēts (L416p Opglabbeek),
tutter:
tuttər (L416p Opglabbeek)
|
speen; een gummidop op een zuigfles [speen, fiep, frutter, tutter, toetje, fiepke, frut, stiekse] [N 86 (1981)]
III-2-2
|
| 34114 |
speen van de koe |
deem:
dīm (L416p Opglabbeek),
dīǝm (L416p Opglabbeek),
dš.m (L416p Opglabbeek)
|
[N C, 12; JG 1a, 1b; A 30, 6a; L 8, 24b; L 14, 27b; L 49, 6a; monogr.]
I-11
|
| 20630 |
spek |
spek:
spek (L416p Opglabbeek),
spèk (L416p Opglabbeek),
spɛk (L416p Opglabbeek)
|
het vaste vet tussen vlees en huid van de varkens [Goossens 1a (1955)] || lendestuk; Hoe noemt U: Lendestuk, ossehaas (ossehaas, harst, osseharst, runderharst, filet) [N 80 (1980)] || varkensvlees
III-2-3
|