| 18338 |
sokophouder |
bindel:
beͅnəl (L416p Opglabbeek)
|
sokophouder, band om de kuit [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 21287 |
soldaat |
soldaat:
səldo.t (L416p Opglabbeek)
|
soldaat [RND]
III-3-1
|
| 21289 |
soldaten |
soldaten:
de soldaoten moote saluère (L416p Opglabbeek),
səldo.tə (L416p Opglabbeek)
|
De soldaten moeten groeten (met de hand aan de muts) [ZND 32 (1939)] || soldaten [RND]
III-3-1
|
| 23488 |
soldatenkerkhof |
soldatenkerkhof:
seldoatekerkkef (L416p Opglabbeek)
|
Een soldatenkerkhof, oorlogskerkhof, militaire begraafplaats, ereveld, engels kerkhof e.d. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 31504 |
solderen |
aaneensolderen:
ānē̜jnsǫldē̜rǝ (L416p Opglabbeek),
solderen:
sǫldē̜rǝ (L416p Opglabbeek)
|
Twee of meer metalen delen door middel van soldeersel met elkaar verbinden. Het soldeersel is een metaal of een legering waarvan het smeltpunt lager ligt dan dat van de te verbinden metalen. Het wordt tijdens het solderen met behulp van een soldeerbout, een soldeerlamp, etc. verhit en vloeibaar gemaakt. De te verbinden vlakken worden vóór het solderen met een vloeimiddel gereinigd om het hechten van het soldeersel te vergemakkelijken en om oxidatie van het te solderen materiaal tegen te gaan. Zie ook het lemma "hardsolderen". [N 64, 28a; N 100, 19; L 7, 12; monogr.; N 33, 194 add.]
II-11
|
| 18428 |
soorten mouwen |
driekwartmouw:
3/4 van arm.
drīēkwāārt (L416p Opglabbeek),
enge mouw:
enge moe (L416p Opglabbeek),
halve mouw:
hauvə moe (L416p Opglabbeek),
hemdsmouw:
humsmoe (L416p Opglabbeek),
korte mouw:
kortə moe (L416p Opglabbeek),
lange mouw:
langə moe (L416p Opglabbeek),
mantelmouw:
Te verdelen in ongermoe en bovenmoe.
manjtəlmoe (L416p Opglabbeek)
|
Welke soorten mouwen kent U (pofmouw, puntmouw etc.?). Beschrijf hoe deze er uit zien [N 62 (1973)]
III-1-3
|
| 18435 |
soorten rokken |
enge rok:
enge rok (L416p Opglabbeek),
rokje:
Smalle rok.
rékskə (L416p Opglabbeek),
wijde rok:
wuujə rok (L416p Opglabbeek)
|
Welke soorten kent U? Beschrijf hoe ze er uit zien (klokrok of geerrok, plooirok, hoepelrok etc.?)? [N 62 (1973)]
III-1-3
|
| 34118 |
soortige koe |
gesloten koe:
gǝslȳtǝ ky (L416p Opglabbeek),
modelkoe:
mōdǝlkū (L416p Opglabbeek),
prijskoe:
prīskū (L416p Opglabbeek)
|
Koe die harmonisch van bouw is. [N 3A, 140]
I-11
|
| 33224 |
sorteermachine |
trieur:
trii̯ē̜r (L416p Opglabbeek)
|
Het toestel bestaande uit enkele schuddende zeven met gaten van verschillende afmetingen waar de aardappelen overheen worden geleid en naar grootte gesorteerd. [N 12, 32]
I-5
|
| 33222 |
sorteren met de hand |
omrapen:
ǫmrāpǝ (L416p Opglabbeek),
uitrapen:
ū.trā.pǝ (L416p Opglabbeek),
ű̄.trā.pǝ (L416p Opglabbeek)
|
Vroeger werden vaak de grote van kleine aardappelen gescheiden bij het rapen zelf op het veld; zie de toelichting bij het lemma Aardappelmand. Tegenwoordig worden de aardappelen op de boerderij gesorteerd; niet meer met de hand maar met een sorteermachine. Zie het lemma Sorteermachine. [N 12, 31; JG 1a, 1b gedeeltelijk, 1c, 2c; monogr.]
I-5
|