e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Opglabbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
snuifje snuif: snoef (Opglabbeek), snŏĕf (Opglabbeek), snuwf (Opglabbeek) snuifje; Hoe noemt U: Kleine hoeveelheid tabak die men in een keer opsnuift (snuifje, snuit, kees, prise) [N 80 (1980)] III-2-3
snuiftabak snuif: snûf (Opglabbeek, ... ) fijngemalen tabak || snuif III-2-3
snuisterij prulletje: pruləkə (Opglabbeek) een klein sieraad, een aardig prulletje van geringe waarde [snuisterij, snuiselderij] [N 89 (1982)] III-3-1
snuit snuit: laŋ sny(3)̄t (Opglabbeek), snyt (Opglabbeek, ... ), snȳt (Opglabbeek), snū.t (Opglabbeek, ... ), WBD/WLD  snūūt (Opglabbeek) [N 19, 25; N 76, 11; L 7, 8; JG 1a]gezicht, gelaat: spotbenamingen [N 10 (1961)] || Hoe noemt u het vooruitstekende deel van het aangezicht van dieren (snuit, snoefel) [N 83 (1981)] || neus: spotbenamingen [snoet, snotkoker, fok, fokker, kokker, domphoren, gevel, foemp] [N 10 (1961)] || Snuit. Een lange snuit. [ZND 07 (1924)] || Zie afbeelding 2.6. [JG 1a, 1b] I-12, I-9, III-1-1, III-4-2
snurken snurken: snerkə (Opglabbeek) snurken [snorke, ronke] [N 10 (1961)] III-1-2
soep sop: soͅp (Opglabbeek), In het kuukbook stònge de resepte van versjillige soppe  sop (Opglabbeek) soep || Soep, heel in het algemeen [N 16 (1962)] III-2-3
soepketel, waterketel marmiet: grote ketel om bijvoorbeeld linnen te koken  maormit (Opglabbeek), v.  marmet (Opglabbeek) berremiet/ marmiet, in de betekenis van koperen waterketel; betekenis/uitspraak [N 20 (zj)] III-2-1
soepterrine soepterrine: soͅptren (Opglabbeek), een diepe schaal waarin men de soep opdient  soptri-jn (Opglabbeek), v.  soͅptrin (Opglabbeek) soepterrine [N 20 (zj)] III-2-1
soepvlees knoken: knuuk (Opglabbeek), knūūk (Opglabbeek), ribben: rebə (Opglabbeek), schink: schink (Opglabbeek), sjink (Opglabbeek), soepvlees: sòpvlejs (Opglabbeek) rib van het varken die als soepvlees dient [Goossens 1a (1955)] || soepvlees; Hoe noemt U: Mager vlees om soep van te koken (boelie, bouilli, soepvlees) [N 80 (1980)] III-2-3
sok sok: zok (Opglabbeek), zuk (Opglabbeek) Sok, een paar sokken. Bedoeld wordt de korte kous, tot halverwege het been door mannen en door kinderen gedragen (fr. chausette) [ZND 48 (1954)] || sok, korte herenkous [zok, vlink, vlik, ene zök] [N 24 (1964)] III-1-3