| 20590 |
snoepen |
snoepen:
snoͅppən (L416p Opglabbeek)
|
snoepen [ZND 07 (1924)]
III-2-3
|
| 20887 |
snoeper |
leknaas:
leknaas (L416p Opglabbeek),
leknut:
leknût (L416p Opglabbeek)
|
snoeper
III-2-3
|
| 20549 |
snoepgoed |
slok:
sloek (L416p Opglabbeek),
slŏĕk (L416p Opglabbeek),
slók (L416p Opglabbeek),
Ze kochte zich ein grute tût slòk
slòk (L416p Opglabbeek),
zoetigheid:
zētighèt (L416p Opglabbeek)
|
snoep || snoepgoed; Hoe noemt U: Zoetigheid, lekkernij, snoeperij, snoepgoed (mem, smul, lekker, lakker, snoep, lekkergoed, lekkerigheid, sneukelderij, snuisterij, kokerel, zoetigheid, grevegoed) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 20550 |
snoepje |
babbeltje:
babbelke (L416p Opglabbeek),
bàbbəlkə (L416p Opglabbeek),
Oppe merret kocht ze zich e ti-jt-sje babbelsjes
babbelsje (L416p Opglabbeek),
get lekkers:
gét lèkkers (L416p Opglabbeek),
muilentrekker:
Mûletrèkkers zeen waal ins hartelik en uich zeen ze good tiêge kalkaanslag op èè gebeet
mûletrèkker (L416p Opglabbeek)
|
meestal bolvormig suikeren of zuur snoepje || snoepje; Hoe noemt U: Een stukje snoepgoed (babbeltje, snoepje) [N 80 (1980)] || soort zure snoepjes
III-2-3
|
| 33996 |
snoer |
lits:
lęts (L416p Opglabbeek),
snoer:
snōr (L416p Opglabbeek)
|
Bewegend deel van de zweep dat aan de steel bevestigd is. Een aantal informanten verdeelt het snoer nog in een onderste gedeelte dat aan de stok bevestigd is, en een dunner (gevlochten) gedeelte, waaraan de kletsoor bevestigd is. De benamingen die met zekerheid refereren aan dat dunnere gedeelte, worden apart vermeld. [N 13, 95b; S 47; R 14, 20; monogr.]
I-10
|
| 17753 |
snor |
snor:
snor (L416p Opglabbeek)
|
Hij heeft nog geen snor (Fr. moustache). [ZND 07 (1924)]
III-1-1
|
| 34510 |
snot |
snot:
snǫt (L416p Opglabbeek)
|
Coryza avium contagiosa of snot is een verkoudheid, gepaard gaande met neusvloeiing. De kippen hebben zwarte natte neuzen, ze niezen en de ademhaling kan bemoeilijkt zijn. De ogen zijn vochtig; de leg is teruggelopen en de eetlust is verminderd. Snot als alleenstaande ziekte is niet zo ernstig, meestal gaat snot gepaard met andere ademhalingsziekten. [N 19, 64; monogr.]
I-12
|
| 18026 |
snotneus |
snotter:
wāt nə snoͅttər (L416p Opglabbeek)
|
Wat een snotneus! [ZND 07 (1924)]
III-1-4
|
| 18025 |
snottebel |
snotterbel:
snūūtərbèllə (L416p Opglabbeek),
sny(3)̄ətərbeͅl (L416p Opglabbeek)
|
neus: snottebel [snotkeekel, snotkikkel, snotkiekje, snotneus, snottebrel] [N 10 (1961)] || Slijm: kleverige taaie stof, als afscheiding van de slijmvliezen (slijm, zwadder). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 18027 |
snotteren |
snuiten:
snittə (L416p Opglabbeek)
|
Snotteren: herhaaldelijk en hoorbaar de neus ophalen om deze vrij te maken van neusvocht (snotteren, snitteren, snutten). [N 84 (1981)]
III-1-2
|