e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Opglabbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
snoepen snoepen: snoͅppən (Opglabbeek) snoepen [ZND 07 (1924)] III-2-3
snoeper leknaas: leknaas (Opglabbeek), leknut: leknût (Opglabbeek) snoeper III-2-3
snoepgoed slok: sloek (Opglabbeek), slŏĕk (Opglabbeek), slók (Opglabbeek), Ze kochte zich ein grute tût slòk  slòk (Opglabbeek), zoetigheid: zētighèt (Opglabbeek) snoep || snoepgoed; Hoe noemt U: Zoetigheid, lekkernij, snoeperij, snoepgoed (mem, smul, lekker, lakker, snoep, lekkergoed, lekkerigheid, sneukelderij, snuisterij, kokerel, zoetigheid, grevegoed) [N 80 (1980)] III-2-3
snoepje babbeltje: babbelke (Opglabbeek), bàbbəlkə (Opglabbeek), Oppe merret kocht ze zich e ti-jt-sje babbelsjes  babbelsje (Opglabbeek), get lekkers: gét lèkkers (Opglabbeek), muilentrekker: Mûletrèkkers zeen waal ins hartelik en uich zeen ze good tiêge kalkaanslag op èè gebeet  mûletrèkker (Opglabbeek) meestal bolvormig suikeren of zuur snoepje || snoepje; Hoe noemt U: Een stukje snoepgoed (babbeltje, snoepje) [N 80 (1980)] || soort zure snoepjes III-2-3
snoer lits: lęts (Opglabbeek), snoer: snōr (Opglabbeek) Bewegend deel van de zweep dat aan de steel bevestigd is. Een aantal informanten verdeelt het snoer nog in een onderste gedeelte dat aan de stok bevestigd is, en een dunner (gevlochten) gedeelte, waaraan de kletsoor bevestigd is. De benamingen die met zekerheid refereren aan dat dunnere gedeelte, worden apart vermeld. [N 13, 95b; S 47; R 14, 20; monogr.] I-10
snor snor: snor (Opglabbeek) Hij heeft nog geen snor (Fr. moustache). [ZND 07 (1924)] III-1-1
snot snot: snǫt (Opglabbeek) Coryza avium contagiosa of snot is een verkoudheid, gepaard gaande met neusvloeiing. De kippen hebben zwarte natte neuzen, ze niezen en de ademhaling kan bemoeilijkt zijn. De ogen zijn vochtig; de leg is teruggelopen en de eetlust is verminderd. Snot als alleenstaande ziekte is niet zo ernstig, meestal gaat snot gepaard met andere ademhalingsziekten. [N 19, 64; monogr.] I-12
snotneus snotter: wāt nə snoͅttər (Opglabbeek) Wat een snotneus! [ZND 07 (1924)] III-1-4
snottebel snotterbel: snūūtərbèllə (Opglabbeek), sny(3)̄ətərbeͅl (Opglabbeek) neus: snottebel [snotkeekel, snotkikkel, snotkiekje, snotneus, snottebrel] [N 10 (1961)] || Slijm: kleverige taaie stof, als afscheiding van de slijmvliezen (slijm, zwadder). [N 84 (1981)] III-1-2
snotteren snuiten: snittə (Opglabbeek) Snotteren: herhaaldelijk en hoorbaar de neus ophalen om deze vrij te maken van neusvocht (snotteren, snitteren, snutten). [N 84 (1981)] III-1-2